TROU MOET BLYCKEN

Gebruiksaanwijzing

Wie in zee begraven wordt, gaat nooit verloren.

De zee is spaarzaam als een dichter.

En ik was aan zee en ik was op een berg:

twee eeuwenoude makkers.

Wie op een berg wordt bijgezet,

wil nog jongleren met de sterren,

snakt nog belachelijk naar lucht

met al de roofzucht van zijn lijk.

Wanneer men mij per se begraven wil,

dan liefst niet al te ver van de zee,

deemoedig bij een koeievlaai

of ergens bij een ezelsdrol.

Ik bleef zo lang gezond, zo lang in leven,

doordat ik steeds beleefd bleef voor de dood,

voor hem boog en hem fêteerde

als een hoogverheven heer.

Luuk Gruwez (geb. 1953)

We mogen met De Lof der Stront alleen al blij zijn omdat de negentiende eeuw in Nederland verder niet één scatologisch gedicht van belang heeft opgeleverd. In Frankrijk en Duitsland was dat wel anders. En in de zeventiende en achttiende eeuw trompetterde Nederland zijn woordje wel degelijk mee. De drekpoëten vormden toen bijna een school. In de negentiende eeuw bleef het merkwaardig stil. Pas in de twintigste eeuw begonnen de drol en de wind in de Nederlandse poëzie weer een rol te spelen.

Bij wijze van scabreuze grap, gewoon om te choqueren, of om er iets mee uit te drukken omtrent de ridicule vermetelheid van elk menselijk streven, zoals dat in De Lof der Stront al het geval was. Van stof zijt ge, en tot stof zult ge wederkeren.

Het zal niemand verbazen dat verwijzingen naar de lagere, achterwaarts gerichte instincten juist in de naoorlogse poëzie toenemen, al is het nog steeds geen vetpot. Toch zouden we er een keurige bloemlezing uit kunnen samenstellen, van het uiterst korte

Wat zie je poep

moe je witte?

van Herman Brood, uit Zoon van alle moeders (1988), tot Huub Beurskens, die in de bundel Iets zo eenvoudigs (1995) een hele cyclus schreef onder de titel Ontlastingen. Een verheven onderwerp als poep & stront leent zich vanzelfsprekend ideaal voor parodieën, zoals in Warme stront, de bekende variatie die Ingmar Heytze vervaardigde op het overbekende Jonge sla van Rutger Kopland

Maar hondestront in oktober,

net gelegd, warm nog,

onder me zole, nee!

ook al in volkstaal gecodeerd, net als de regels van Herman Brood, alsof ze het ordinaire een beetje willen benadrukken. Niettemin bestaan er ook scatologische toepassingen van serieuze aard.

In de gedichten van Luuk Gruwez zouden we de scatologie zelfs een constante kunnen noemen.

In zijn bundel Vuile manieren (1994) schreef hij een gedicht dat Oma's po heet, over een demente oude vrouw die met haar po rondzeult

Een half pond stront als dagelijks bewijs

en een gedicht, Juffrouw Pipi geheten, over een juffrouw van de retirade. Bijgaande Gebruiksaanwijzing komt uit zijn laatste bundel, Dieven en Geliefden (2000).

De dichter begint met het tegen elkaar uitspelen van zee en berg. De zee wordt geassocieerd met eeuwigheid en spaarzaamheid, de berg met overmoed en roofzucht. Als hij begraven moet worden zal het in de nederige aarde dienen te zijn, `liefst niet al te ver van de zee', dus niet in de zee en niet in de bergen. Ter hoogte van de zeespiegel, deemoedig bij vlaai en drol. Het doet onweerstaanbaar denken aan het kwatrijn van Hugo Claus, uit Almanak (1982)

Twee houtduiven.

De ene vloog naar de rotsen,

de andere naar zee.

Wie ben ik? De bescheten steen

want ook bij Luuk Gruwez geeft het verlangen om dicht bij de stront te zijn antwoord op de vraag: Wie ben ik?

Een dichter die niet zo spaarzaam wil zijn als de zee en niet inhaliger dan de berg – twee voor hem onaantrekkelijke makkers en dodenakkers , dat is een dichter die iets er tussenin wil zijn, beleefd en onopvallend, al was het maar om aan de gramschap van de dood te ontsnappen. Hij is zo oud geworden, beweert hij, omdat hij respect had voor de dood. Vandaar de plechtstatige ironie van de laatste vier regels met hun opeenvolging van e-klanken, aangekondigd door het al even verheven

Wanneer men mij per se begraven wil

dan liefst niet al te ver van de zee

waarin men met gemak de echo kan horen van Multatuli's zang van Saïdjah.

Vlaai en drol staan hier voor de eis tot bescheidenheid, dezelfde eis die de dichter van De Lof der Stront zijn medemensen al stelde. Het vergankelijke leven staat boven de eeuwige kunst. Dat voegt Luuk Gruwez er aan toe. Kunst is streven naar economie (de zee) of baldadig vertoon van kunstjes (de berg). Abstraheren of overdrijven. Leven betekent nietigheid en onopvallendheid gezellige stront.