Hollands Diep op een kier

Collegezaal 2 is achter het anatomisch Museum Vrolik, zie ik op het plattegrondje dat ze me bij de receptie hebben meegegeven. En dat heb ik hard nodig om mijn weg te vinden in het labyrint van het Academisch Medisch Centrum in Amsterdam Zuidoost. Het museum Vrolik blijkt een somber stemmend zaaltje vol ingemaakte stukken mens. Niets is beter om de beperkte houdbaarheid van het menselijk lichaam te illustreren dan een opengewerkt mannenhoofd in een gelige negentiende-eeuwse weckpot.

Even later zit ik op een jaarlijks malaria-symposium ter ere van de in 1998 overleden aids-onderzoeker Daan Mulder dat gisteren in Collegezaal 2 werd gehouden. Hier heb ik een afspraak met Willem Takken, gerenommeerd malaria-deskundige van de Universiteit van Wageningen.

Aanleiding was eind vorige week een bericht in het Algemeen Dagblad over ,,de mogelijke terugkeer van de inheemse malariamug in Nederland''. Het ministerie van Verkeer en Waterstaat wil nog dit jaar weten, schrijft het ochtendblad, hoe groot het gevaar is dat malaria en andere infectieziekten de kop opsteken als gevolg van het nieuwe waterbeleid. ,,Twee jaar geleden al waarschuwde de biologe prof.dr. A. van Bronswijk van de Technische Universiteit Eindhoven hiervoor.'' Het Koninklijk Instituut voor de Tropen in Amsterdam had de opdracht gekregen na te gaan of de plannen voor de aanleg van een nieuwe `ecologische hoofdstructuur' in Nederland – van het ministerie van Milieu, Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening – wellicht gevaar opleverde voor de volksgezondheid. De muggenrijke venen zouden weleens onaangename gevolgen kunnen hebben in de Vinexwijk.

In Nederland wordt veel onderzoek gedaan naar muggen. In Leiden vooral genetisch, in Eindhoven in relatie tot de bebouwde omgeving en in Maastricht in relatie met klimaatverandering. Het opwarmen van de atmosfeer, zo concludeerden de Limburgers een jaar geleden in een op het internet te lezen factsheet van het Nationaal Onderzoeks Programma Mondiale Luchtverontreiniging en Klimaatverandering, zal in Nederland zeker effect hebben. ,,In Nederland zullen de omstandigheden steeds gunstiger worden voor organismen die ziekten overbrengen, zoals de malariamug en de teek (de ziekte van Lyme).'' Dat laatste lijkt op dit moment, nu de wereldklimaatconferentie wordt gehouden in Den Haag, natuurlijk relevant. Maar een woordvoerder van het ministerie van Verkeer en Waterstaat denkt dat het ochtendblad het nieuws van afgelopen vrijdag heeft opgepikt op een congres een week eerder. Hij weet niet welke afdeling op het ministerie opdracht heeft gegeven tot het onderzoek. Was het wellicht de afdeling ter bestrijding van overlast door het ministerie van Milieu, Volkshuisvesting en Ruimtelijke ordening, probeer ik. Nee, lacht de woordvoerder, ,,zo erg is het nog niet''.

Uiteindelijk verwijst het ministerie door naar het Tropeninstituut. Maar daar houdt men zich bezig met een literatuurstudie over malaria in Nederland, weliswaar in opdracht van het ministerie, maar niet het bedoelde onderzoek. Doorverwezen wordt naar Takken, een van de bekendste nationale malariadeskundigen. Een secretaresse in Wageningen meldt echter dat Takken in Tanzania zit. Een dag later blijkt hij alsnog in Nederland gearriveerd en bereid toelichting te geven in de marge van een bijeenkomst in het AMC.

Takken heeft niet veel tijd, dat was een dag eerder al duidelijk. Maar nu helemaal niet. Hij is net terug uit Afrika en voelt zich ziek, koortsig, hoofdpijn, en heeft dus wellicht – o, ironie – malaria. Zojuist heeft hij een lezing gehouden over het nut van de klamboe en nu moet hij naar de afdeling Tropische Geneeskunde ergens in de buik van het AMC waar eerder bloedmonsters zijn afgenomen.

Takken is verbaasd over het bericht uit het AD. Hij is namelijk al twee jaar bezig met het bewuste onderzoek in opdracht van Rijkswaterstaat. ,,Het is min of meer een reactie op dat krankzinnige onderzoek twee jaar geleden van de universiteit van Eindhoven, waarvan de uitkomst was dat iedereen in Nederland over vijftig jaar aan de malaria profylaxe moet wegens de toegenomen aantallen waterpartijen in de bebouwde omgeving.'' Aan de muur achter Takken hangt een poster van het nog steeds niet opgeheven Medisch Comité Nederland Vietnam, met de tekst: ,,Boven ieder bed een muskietennet.''

In Nederland was volgens Takken tot 1955 malaria niet ongewoon. Het gaat hierbij om een vrij uitzonderlijke parasiet die zich geheel had aangepast aan de cyclus van de muggen van onze gematigde streken. De `Nederlandse' malariaparasiet luistert naar de naam plasmodium vivax hibernum. Terwijl bij de tropische parasiet de incubatietijd een kwestie is van dagen, kon de lokale variant negen tot tien maanden `overwinteren', net als de lokale muggenpopulatie. De inheemse mug was echter afhankelijk van het brakke water in onze moerasdelta. Door de inpoldering van de Zuiderzee in de jaren dertig, en door de Deltawerken vanaf de jaren vijftig, verzoette het water in Noord-Holland en op de Zuid-Hollandse eilanden, waardoor het aantal broedplaatsen voor deze mug afnam. De muggenpopulatie werd verder vrij letterlijk om zeep gebracht door de vervuiling van oppervlaktewater. Sinds 1970 geldt het land officieel als malariavrij.

Maar de plannen om uiterwaarden weer onder water te laten lopen, of de sluizen naar het Hollands Diep ,,op een kier te zetten'' zodat daar weer getijden zijn, zouden weleens nieuwe broedgebieden voor malariamuggen kunnen creëren. Daarom riep Rijkswaterstaat de hulp in van Takken. ,,Uit ons onderzoek is echter gebleken dat er veel meer aspecten komen kijken bij een eventuele terugkeer van malaria. Het is, om maar iets te noemen, niet alleen een kwestie van muggen: er moeten ook genoeg mensen rondlopen die besmet zijn met malaria.''

Takken zegt dat hij niet het achterste van zijn tong kan laten zien omdat Rijkswaterstaat wil wachten met publicatie van zijn onderzoeksresultaten. ,,Maar één ding staat volgens mij vast, en dat is dat er hier geen kans is op een uitbraak van endemische malaria.'' Het Hollands Diep kan gerust op een kier.

fgv@nrc.nl

    • Frank Vermeulen