Eerste Kamer kan heel goed enquête houden

Frank de Vries betoogde op 2 november op deze pagina dat de Eerste Kamer geen enquêtes moet houden omdat deze ,,op afstand opereert van de dagelijkse politiek''.

Erik Jurgens stelt daarentegen dat dit juist een reden is waarom de senaat zo'n onderzoek op zich zou moeten nemen.

Toen ik in 1973, samen met collega Klaas de Vries, als lid van de Tweede Kamer de gedachte uitte om het parlementair enquêterecht te doen herleven was er sinds 1887 van dit recht geen gebruik meer gemaakt. Dit met een omvangrijke uitzondering: de zogenoemde Oorlogsenquête, over het beleid van de Nederlandse regering in Londense ballingschap, 1940-1945. Maar die was bijzonder: zij was een soort opgeschorte uitoefening van het recht van de Kamer op verantwoording over een periode waarin het parlement door de bezetter naar huis was gestuurd.

Waarom dat onbruik van een wezenlijk parlementair recht? Omdat juist aan het eind van de negentiende eeuw kwam vast te staan dat geen regering kon aanblijven die niet het vertrouwen had van een meerderheid van met name de tweede van onze Kamers. Op grond daarvan konden de leden van de Kamers voortaan verantwoording eisen van de regering voor haar beleid. Juist in diezelfde tijd nam de omvang van dat regeringsbeleid sprongsgewijs toe omdat de overheid een belangrijke rol ging spelen op terreinen waar zij vroeger buiten was gebleven, met name in het kader van de sociaal-economische verhoudingen, de volkshuisvesting en de volksgezondheid. Rond 1900 worden de eerste belangrijke wetten aanvaard (Woningwet, Ongevallenwet).

Waarom had dit alles gevolgen voor het enquêterecht?

Tot rond 1887 stond het parlement als geheel tegenover de regering. Deze moest instemming verwerven voor de begroting en voor de (weinige) wetgeving. Het enquêterecht gaf de Kamer zelfstandige mogelijkheden om na te gaan hoe het overheidsbeleid werd uitgeoefend en, nog meer, of er toestanden in de samenleving voorkwamen die om wetgeving vroegen (bijvoorbeeld de toestanden in de fabrieken). Maar verder kon de Kamer weinig invloed uitoefenen. Toen ministers het vertrouwen van de Kamer moesten gaan verwerven en behouden, werd dat anders, en dat is nog steeds zo. Ministers staan bij wijze van spreken elke dag in de Kamer hun beleid te verdedigen. Het enquêterecht raakte in onbruik. De oppositie probeerde het wel eens om een enquête uit te lokken maar de regeringsgetrouwe meerderheid hield dit tegen (bijvoorbeeld in 1938 in de zaak-Oss).

In 1973 leek de tijd rijp voor verandering. Overleg van Klaas de Vries en mij met gelijkgestemde collega's uit andere fracties leidde tot indiening en aanvaarding van een initiatiefvoorstel van wet tot modernisering van de Enquêtewet van 1850. Vrij snel daarna werd de RSV-enquête als eerste gehouden.

Waarom die kentering der tijden? Het kabinet-Den Uyl, geboren uit de veranderingsgezindheid van de jaren zestig, was aan het bewind. Naar alle kanten werden de luiken opengegooid. Het `zuilenstelsel' met zijn overdreven vertrouwen in de voorlieden van de eigen zuil, wankelde. Regenten werden ontmaskerd, beleid moest voortaan stoelen op een aanwijsbaar draagvlak binnen een mondige bevolking.

Ook de Kamer werd mondiger. Regeringspartijen steunden niet automatisch regeringsvoorstellen. De Kamer nam als geheel weer een beetje haar taak op als controleur van het regeringsbeleid. Als geheel, want het uitzonderlijke van een enquête is nu juist dat de leden van een enquêtecommissie samen en zelfstandig besluiten nemen. In andere commissies van de Kamer treden de leden op als woordvoerders van hun fracties.

Die mondige Kamer wil niet uitsluitend afhankelijk zijn van informatie die zij van de regering ontvangt. Zij wil soms zelf uitzoeken wat er aan de hand is. Daarbij wordt zij gesteund door de pers die, zelf niet meer door de `zuilen' beheerst, haar journalistiek vorsingswerk gesteund zag door parlementair feitenonderzoek. Intussen is de enquête niet meer uit ons politieke leven weg te denken.

Wel blijft het een groot probleem dat de regering het vertrouwen moet hebben van een Kamermeerderheid, en dat het instellen van een enquête naar een onderwerp waar de regering (mede) verantwoordelijkheid draagt kan lijken op een motie van wantrouwen. Sterker nog, de bevindingen van de enquête kunnen kritiek bevatten op het beleid van bewindslieden. Dat heeft in de laatste twintig jaar ook koppen doen rollen.

Toch gaat het in een enquête niet op de eerste plaats daarom, al wil de publieke opinie graag koningsdrama's zien. Het gaat in een enquête integendeel om het naar boven brengen van feiten, zodat daarop het beleid kan worden beoordeeld en eventueel bijgesteld.

De Bijlmer-enquête leidde tot veranderingen in rampenscenario's, de RSV-enquête tot wijziging van subsidiebeleid, de IRT-enquête van het opsporingsbeleid. Dat alles is veel belangrijker dan het zoeken en afstraffen van de verantwoordelijken. Dat is een mogelijk, onbedoeld, gevolg.

Nu dit alles toegepast op de Eerste Kamer, de senaat. De senaat heeft een heel andere rol dan de Kamer. Hij vormt geen kabinetten en stuurt ook hoogstzelden een minister naar huis. Hij heeft een politiek terughoudende rol, en bestaat niet uit professionele politici. De partijtegenstellingen spelen in de senaat een minder grote rol. De kwaliteit en de rechtmatigheid van beleid, met name van wetgeving, staat voorop. De senaat heeft ook zelden medeverantwoordelijkheid voor gevoerd beleid, omdat de senaat niet door de regering wordt geraadpleegd, bijvoorbeeld over de vraag of Nederland troepen naar Eritrea moet sturen.

Tegen die achtergrond is de senaat zeker gekwalificeerd om op een politiek afstandelijke, maar indringende wijze onderzoek te doen naar gevoerd beleid. Waarom alleen wetsvoorstellen goedkeuren, waarom niet soms nagaan wat er van de praktische uitvoering van die wetten terecht is gekomen? Om vervolgens de opgedane kennis te gebruiken bij de beoordeling van nieuwe wetten. Als er politieke gevolgen aan een gedane senaatsenquête zouden moeten worden verbonden, dan kan de Kamer die rol wel overnemen. Tegenargumenten liggen hooguit in het praktische vlak: senatoren hebben als deeltijdpolitici niet voldoende tijd; zij hebben bekwaamheden in huis op grond van hun andere functies, maar die andere functies zijn soms onverenigbaar; de senaat heeft er geen staf voor. Dat zijn reële problemen, maar zij zijn oplosbaar. Er zijn ook argumenten pro uit deze problemen te putten (meer op hoofdlijnen; vakbekwaamheid; geen boekwerken schrijven).

Het voorstel van CDA-voorzitter Van Rij om de Eerste Kamer een enquête te laten houden is mij welkom. Uit die kring is dit geluid nog niet eerder gehoord, wel uit die van PvdA, D66 en GroenLinks. Of het onderwerp dat hij kiest (problemen in de zorgsector) voor een senaatsenquête geschikt is betwijfel ik. Maar dat is pas aan de orde als eerst de wil als zodanig aanwezig blijkt om een senaatsenquête te houden.

Mr. E.C.M.Jurgens is lid van de Eerste Kamer en maakt deel uit van de PvdA-fractie.