Een bloedrode stinkzwam

Ik ruik hem eerder voor ik hem zie. Een scherpe rioollucht dringt mijn neus binnen. Een paar tellen later staar ik gefascineerd naar een bloedrode zeester, die zich heeft neergevlijd in het gras onder de eiken. Die staan langs het Oranjekanaal, ooit gegraven om het veen bij Emmen af te wateren. Door verkeerde berekeningen is het daar nooit van gekomen; sindsdien heeft het kanaal zich tot een recreatief element in het Drentse land ontwikkeld.

Zwiggelte mag dan tot de minder bekende esdorpen horen, het lijkt mij onwaarschijnlijk dat de zeester tot de lokale fauna behoort. Als ik dichterbij kom, stel ik vast dat de vijf armen met glanzende zwarte plekken bedekt zijn. En ook dat de ster zich uit een witte bol, die als een gescheurde zak om de romp heen hangt, omhoog heeft gewerkt. Het duivelsei. Ik tel nog drie andere, gave duivelseieren. Beelden uit sciencefiction-films buitelen door mijn hoofd; tentakels van gedrochten krullen zich uit reusachtige eieren omhoog en belagen de bemanning van ruimteschepen. Alien, heette die film.

De inktviszwam komt echter niet van een andere planeet, maar uit Australië. Het gaat, net als bij de nerts en de nijlgans, om een exoot. Hij komt uit de wereld van de tegenvoeters, het geheimzinnige Groote Zuidland, waar alles afweek van wat Hollandse en Engelse zeelui gewend waren – de seizoenen klopten er niet, de sterrenbeelden stonden op hun kop, vissen klommen in bomen en reusachtige springmuizen hopten door het gras. Hadden zij de inktviszwam gezien, dan zou hun mond nog verder zijn opengevallen van verbazing.

Hoe de sporen van de zwam precies in Europa verzeild zijn geraakt, is een raadsel. Kwamen zij mee met Australische wol? Of met legertransporten in de Eerste Wereldoorlog? In ieder geval begon deze bizarre paddestoel aan een opmars door de Oude Wereld, waarvan het eind nog lang niet in zicht is.

In 1920 vond men de eerste exemplaren in de Vogezen. In 1973 dook de plantaardige inktvis in Zwiggelte op. Volgens een recent artikel in Het Drentse Landschap van de mycoloog Eef Arnolds, heeft hij sindsdien in een beperkt gebied in Midden-Drenthe vaste grond onder de voeten gekregen. Ook elders in Nederland jaagt hij de argeloze wandelaar de stuipen op het lijf.

In de meeste paddestoelenboeken komt de clathrus archeri niet voor. Wel in de zogenaamde Rode lijst, waarin alle bedreigde en kwetsbare paddestoelen van Nederland staan opgesomd. Achter de naam prijkt de aanduiding GE, `gevoelig', wat hier betekent: zeldzame soort die stabiel of toegenomen is.

In het genoemde artikel wordt verteld dat de inktviszwam tot de familie van de stinkzwammen behoort. De bekendste is de grote stinkzwam, de phallus impudicus. De hele familie houdt kennelijk van maskerades – de ene soort bootst een zeester of inktvis na, de andere het mannelijk geslacht.

De voortplanting is niet afgestemd op de wind, maar op insecten. Brom- en strontvliegen storten zich op de naar aas stinkende sporenmassa van de zwammen. Bij de grote stinkzwam zit die op de hoed, bij de inktviszwam op de tentakels. In het onwelriekende zwarte slijm houdt het nageslacht zich schuil. Een simpele vingertest wijst uit dat het slijm inderdaad verantwoordelijk is voor de poeplucht.

Namen als heksenboleet en satansboleet laten al zien hoe men vroeger over het zwammenrijk dacht. Het woord duivelsei hoort ook in dat rijtje thuis. Bij de inktviszwam produceert het ei `aanvankelijk een tot vijftien centimeter hoog, roze zuiltje, dat zich vervolgens ontplooit in vier tot zes rode armen. Deze armen wijzen eerst als vreemde tentakels schuin omhoog, maar buigen geleidelijk naar de grond' (Arnolds). In een bestek van vijf uur vindt deze ontplooiing plaats.

Verderop steekt een jong exemplaar zijn armen de lucht in. Het trage ballet is begonnen om het glanzende pek van de sporen van binnen naar buiten te brengen. Het blijft een spectaculair gezicht, deze exotische vormen en kleuren in een berm bij een Drents veenkanaal.