De wereld een bierkanaal

Per olifant door Thailand of een weekend naar de oudheden van Egypte, je regelt het tegenwoordig op het postkantoor. Maar waar kun je terecht voor een cruise over het kanaal door Zuid-Beveland? De conclusie is duidelijk: wie de grote massa wil mijden gaat naar een kanaal. Bijvoorbeeld naar het Kanaal Leuven-Dijle in Vlaams Brabant, dat 250 jaar bestaat.

De piramides mogen raadselachtig zijn – steek je hoofd door een van de vele gebroken ruiten van de Usines de Stordeur aan de oever van het kanaal Leuven-Dijle in Vlaams Brabant, en al je gedachten wijken voor een baaierd van vraagtekens. Wat is een NVSE I Triller? Er hangt er een aan het plafond, blijkt uit het opschrift in viltstiftletters, maar geen reisgids ter wereld die het antwoord geeft. Geen Rough Guide die schrijft waarom er een laag vogelmest over deze machines ligt. Geen Lonely Planet-gids die uitlegt waarom deze usines überhaupt werden gebouwd.

Aan de overkant heeft een oude fabriek een nieuwe bestemming gekregen: De Vaart: squash - fitness - biljart - all sports schreeuwt een tekst op de prachtige bakstenen gevel. Ernaast staat in even grote letters – maar zo afgebladderd dat je ze pas na lang kijken ziet – Conserves de Legulles. Wat zijn of wie was Legulles? Waarom vallen squash, biljart en fitness in België niet onder all sports?

Zoals elk kanaal vertelt het kanaal Leuven-Dijle een gelaagd, goed gecodeerd verhaal waar je niet zomaar bij kunt: een verademing voor wie even genoeg heeft van de grote toeristenmassa en de informatiemaatschappij. Volg het water, kraak stap voor stap de code en dan wordt er van alles duidelijk – over het kanaal zelf, over het land, en eigenlijk over de hele wereld. Onderweg wachten lawaai en lelijkheid, stilte en juwelen van sluizen, geweldige cafés en veel fabrieken – waarvan sommige het nog doen – in bijna evenveel bouwstijlen.

Op 9 februari 1750 zette prins Karel van Lotharingen nabij Leuven een zilveren spade in de grond en deponeerde het resultaat in een koffertje dat vervolgens werd afgevoerd op een speciaal vervaardigde kruiwagen. Vijfhonderd arbeiders voltooien het dertig kilometer lange kanaal in de twee jaar daarna. Ter viering van het jubileum verscheen een vriendelijk boekje dat onder meer vertelt dat de Usines de Stordeur in 1910 verrezen als maïsmeelfabriek die in 1972 nog 5.000 ton per maand vermaalde.

Gelukkig blijft er veel onduidelijk, zelfs bij navragen. Wat is Luc Schepmans eigenlijk, vraagt hij zichzelf ook af. Hij wacht al 23 jaar bij de sluis van Boortmeerbeek tot er een schip aankomt, zoals nu, in de verte. Sluiswachter is hij echter niet. Een sluis heet in Vlaanderen vaak sas. Sasmeester zou kunnen. Of sluismeester. Onder zijn naam schrijft hij `technisch beambte', maar een collega in hetzelfde wachtlokaal corrigeert: `Scheepvaartbegeleiders, dat zijn we'. De verwarring kenmerkt de gemoedelijkheid van de mensen langs het kanaal. En erop. Inmiddels is de Tania de 52 meter lange sas ingevaren en begint Schepmans aan een kwartier zwengelen en berichten uitwisselen. Vanaf de voorplecht meldt Tania zelf dat zij en haar man Frank onderweg zijn naar Rotterdam om gebroken rijst te halen voor de Remy lijmfabriek in Wijgmaal. Rijst is nu even een kortstondige hausse. ,,De Sylvie, de Mustang en de Waa zijn ook met rijst onderweg hierheen'', meldt Tania als de Tania een paar meter gezakt is, zodat ze niet meer vanuit de hoogte haar stem hoeft te verheffen zoals een paar minuten eerder. De scheepvaartbegeleider heeft inmiddels de westelijke sluisdeuren opengedraaid. Tania: ,,Wil je 'm losgooien?'' Schepmans: ,,Voor jou doe ik alles.''

Rijst is uitzondering. Van de acht schepen die hier gemiddeld per dag passeren, pendelt ruim negentig procent met Franse gerst naar de brouwerijen en malterijen langs dit bierkanaal. De huidige panden van Stella Artois in Leuven zijn te nieuw om mooi te zijn, al denken ze daar over een eeuw vast anders over; de oudste van de talrijke Stellapanden, uit 1923, zijn sinds twee jaar monument. Nabij Schepmans' sas zijn de Malteries de Boortmeerbeek uit 1931 volgens een ingewijde aan het uitbollen, Vlaams voor inkrimpen; de niet-ingewijde passant ziet hoe ontluikend verval prachtige, zachte overgangen heeft gemaakt tussen mouterij, landschap en elementen.

Veel vitaler en dreigender, zeker bij inzettende duisternis, oogt de Cargill Malt Division tussen Wijgmaal en Tildonk. In de wijde omgeving is verder geen gebouw te bekennen, dat versterkt het beeld. Een gerstzuiger leegt het ruim van de afgemeerde Brenda in een decor van enorme, gladde betonnen constructies en grote, witte, tegen het wolkenloze zwerk oplichtende stoomwolken, terwijl de lampen van boot, zuiginstallatie en fabriek weerkaatsen in het oude kanaal. Hier kiemt gezelligheid, maar dat zie je er niet aan af.

Even verder is de gezelligheid juist heel goed te zien bij de sublieme sluismeesterswoning van Tildonk, beter bekend als Café Maritime, aan de overkant van het kanaal. Een bord Verboden de sluis te betreden – uitgezonderd fietsers en voetgangers laten we voor wat het is. Aan het eind van de smalle ijzeren loopbrug waar piloten en automobilisten eigenlijk niet overheen mogen, ben je al bijna binnen. Een monumentale houten trap en een prachtige plavuizen vloer zijn de eerste blikvangers, spoedig gevolgd door de voorsteven van wijlen de Balboa die als bar dienstdoet. De kaart rept van `zalmfilet op kervelspiegel', `hesp' en `boerenpensen met appelsaus'. Café Maritime (sinds 1763) wordt uitgebaat door Jan van Langendonck (sinds augustus). Hij is directeur van een evenementenbureau waar een paar jaar geleden een plan ontstond voor evenementen op trekschuiten. Als startpunt voor het onthaasten van snelle Belgen lag Café Maritime op ideale afstand van Leuven, maar helaas lag het ook bijna in puin. Van Langendonck: ,,Het werd oorspronkelijk gebouwd als sluismeesterswoning, café en hotel. Daarom is het zo groot. Een hotel is het al honderd jaar niet meer, de sasmeester van vijftig jaar geleden stopte ook met het café, en zijn opvolger vond het te groot om in te wonen en liet het twaalf jaar leeg staan.''

De redding kwam uiteindelijk van brouwerij Palm, die volgens Van Langendonck streeft `naar herstel van de cultuur van het oude bierdrinken' en die een paard als logo voert. Dat sloot mooi aan bij een nostalgisch sluiscafé waar paarden schuiten trekken. Vroeger was het niet bedienen van de sluis – `morgen weer!' – een probaat middel om de horeca-omzet op te voeren, maar zo nostalgisch is dit project net niet.

Waar de Zenne en de Dijle samenvloeien, eindigt het kanaal. Het Zennegat heet deze schitterende plaats, waar monumentale loofbomen hun laatste bladeren laten vallen over een handvol schotse en scheve huizen uit de begindagen van de vaart, over de belangrijkste van de vijf sluizen, over een muskusrattenvanger die verse stukken winterwortel vastprikt in een vierratsval, over de Sunny en de Star die na zorgvuldig manoeuvreren samen de hele sluis vullen, en over sasmeester Jos Langers die zijn dienstwoning verlaat om te gaan zwengelen. Zware regenwolken en een eerste zweem van de komende nacht dempen haast alle tinten tot pastel, alleen de auto en de motorfiets op het dek van de Star glimmen in de schemering, terwijl de sas volstroomt met wit, wildbruisend kanaalwater.

De zee is zo dichtbij dat de waterstand in het Zennegat tweemaal daags zes meter stijgt en daalt, waardoor er van drie uur voor tot drie uur na eb niets valt te schutten. Om kort te gaan: haast alle panden die hier staan waren ooit café, veertien bij elkaar, plus een kruidenier, een scheepswinkel en een kolenboer. Als het Gat leegliep hadden de schippers een goed excuus om zich te laten vollopen. De sasmeester woonde in de kelder; op de parterre waar Langers en zijn collega Sabina Govaert nu kantoor houden, verkocht hij bier. Water was schaars en mede daarom geen optie. Grondwater oppompen kon niet omdat de Zenne het riool van Brussel was (en nog is) en tot voor vijf jaar werden de ongeveer twintig omwonenden van het Zennegat per brandweerauto van water voorzien.

De tijden zijn veranderd. Er is een leiding gekomen en dertien cafés zijn verdwenen. Dat het laatste dinsdag gesloten is, lijkt een afdoende verklaring voor de dichte deur. Maar na het schutten van zijn klanten lacht Langers: ,,Ha! Hij is niet alle dagen behalve dinsdag open – hij is open als hij goesting heeft!'' Volgens Govaert heeft de teloorgang van wat ooit 's werelds grootste tappuntenconcentratie geweest moet zijn, te maken met de opkomst van satelliettelevisie en computerspelletjes aan boord van de schepen. De getijden bleven en het wachten dus ook, maar het scheepsvolk zit nu binnenboord achter beeldschermen. Bedankt Astra en Eutelsat! Bedankt Bill Gates!