De verhalen van je eigen ogen

Iraanse films worden steeds populairder. Hun wonderlijke mengeling tussen waarheid en fictie past goed in deze postmoderne tijd.

UITVERKOCHTE ZALEN waren er deze zomer opeens voor de Iraanse film De wind zal ons meenemen van Abbas Kiarostami, die het jaar daarvoor al twee belangrijke prijzen had gewonnen op het Filmfestival Venetië. Samen met zijn landgenoot Mohsen Makhmalbaf en diens dochter Samira is Kiarostami het boegbeeld van een filmcultuur die onder Westerse toeschouwers steeds populairder wordt.

Als verklaring daarvoor wordt vaak de wonderlijke mengeling genoemd die Iraanse films te zien geven tussen feit en fictie. Gewone mensen acteren scènes uit hun eigen leven, dat door de onopgesmukte manier waarop het gefilmd is authentiek overkomt – zoals we dat traditioneel in een documentaire verwachten. In de Iraanse cinema is het niet zo eenvoudig te zeggen wat speelfilm is en wat documentaire. Wat er als documentaire uitziet is vaak fake, opgebouwd uit louter in scène gezette taferelen. Zulke films zetten je aan het denken over waarheid en leugen, en dat is in een dankzij het postmodernisme onttoverde tijd aantrekkelijk.

Zo zette Mohsen Makhmalbaf een advertentie in een Iraanse krant voor een auditie voor zijn nieuwste film. De honderden acteurs en actrices in spe nam hij vervolgens uitgebreide screentests af waarin hij hen ondervroeg over persoonlijke en soms zelfs pijnlijke zaken, zonder hen te vertellen dat hij zijn film uit die opnamen zelf ging monteren. Deze Salaam cinema (1995) was een van de films die het Filmfestival Rotterdam een paar jaar geleden in een retrospectief op Iraanse films en het verschijnsel `fake' in het bijzonder vertoonde. Wijselijk hield men zich daarbij verre van het formuleren van criteria voor (on)waarheid in de film.

Van een documentairefestival verwacht je dat wel. Maar hoewel IDFA in het themaprogramma `Focus Iran' een overzicht geeft van de recente Iraanse documentaireproductie, is het onderscheid tussen zuiver documentaire, gereconstrueerde, geënsceneerde en zelfs louter speelfilmproducties nog steeds niet zo eenvoudig te maken.

Sommige filmmakers vertellen het netjes zelf. Zo is The Wave on the Shore (Moj bar sahel) van Ali Mohammad Ghasemi volgens de begintitels een `re-constructed documentary'. De beelden van bewoners van een Zuid-Iraans vissersdorpje onderscheiden zich aanvankelijk niet van de stijl en esthetiek van een willekeurige `speelfilm' uit Iran. Maar langzamerhand wordt duidelijk dat de beelden van hun nachtelijke smokkelactiviteiten natuurlijk niet écht kunnen zijn. The Blackboards (Takhté siah) van Samira Makhmalbaf daarentegen werd tijdens het afgelopen Filmfestival Cannes gewoon als speelfilm gepresenteerd. Zij zette het op ware gebeurtenissen gebaseerde verhaal over een leraar die op zoek gaat naar leerlingen in het Koerdische noorden van Iran echter beeld voor beeld in scène. Ze verving zelfs een beroepsacteur door een ongeschoolde figurant, omdat de eerste teveel `acteerde'.

Door een beroep te doen op de werkelijkheid omzeilen de Iraanse filmmakers handig de censuur. Ze baseren hun films immers op feiten, waardoor impliciet commentaar over maatschappelijke verhoudingen voor rekening van de toeschouwer komt. Ook kan hun niet verweten worden helden te vereren die de almacht van de islam zouden kunnen ondergraven. Het gaat over gewone mensen, gewone mannen en vrouwen, gehuld in chador en borgheh (een vizierachtig masker over voorhoofd, neus en mond).

My Mother's House, Lagoon (Khaneyeh madariyan, mordab) van Mehrdad Oskoui is zelfs opgedragen aan die gewone mensen, `diegenen aan wie nooit iets is opgedragen'. De twee hoofdfiguren zouden niet misstaan in een fictiefilm. Een bejaarde dochter en haar oeroude moeder wonen in een hut in een drabbig moerasland. Terwijl de dochter in de nacht wat armetierige visjes vangt die zij 's ochtends op de markt tracht te verkopen, tuimelt moeder bijna in haar laatste slaap. De mix van troosteloosheid en trage poëzie werkt hypnotiserend.

Toch roept ook deze film vragen op over de werkelijkheid die tussen de zorgvuldig in beeld gebrachte scènes doorschemert. Is bijvoorbeeld de aanvaring met een stelletje stropers die de visnetten van de dochter plunderen echt gebeurd, of net zo geënsceneerd als het laden en lossen van de contrabandiers in The Wave on the Shore? Want waarom zouden deze wetsovertreders zich wél laten filmen?

Maar misschien moet je films wel niet willen vertrouwen. Misschien gaat het om de verhalen die je eigen ogen vertellen. Terwijl je, zoals in The White Station (Istag-e sefid) van Seifollah Samadian, uit een raam in

Teheran gluurt naar een vrouw die tien minuten lang achterstevoren tegen een sneeuwstorm in loopt.