Column

De Engelen zingen in de hel

Roel van Dalen mocht een jaar lang overal bij Ajax filmen. Te zien zijn de onmacht van een wanhopige tobclub, een stuurloos wrak. En kinderlokkers.

SEIZOENKAARTHOUDERS PAKKEN de overwinningen mee, staan te huilen op de banken als de Cup getoond wordt, pinken een traantje als Petterson zijn laatste balletje trapt, zijn geroerd als het stadion knettert van het vuurwerk voor Frank Rijkaard en schelden zichzelf bont en blauw als de club thuis van NEC verliest, een magere 0-0 tegen MVV op de mat legt of afgedroogd wordt door aartsrivaal Feyenoord. Het gaat om het niet uit te leggen zondagmiddaggevoel. Het hoort bij je leven. Een keer in de veertien dagen zit je bij Ajax. Ik doe dat al dertig jaar. Vroeger met vrienden, nu met mijn zoontje en zijn vriendjes. Ik ken mensen en die hebben wel eens een paar seizoenen een seizoenkaart gehad, maar hun vrouw was nog niet zwanger of dat ding werd weggedaan. Dat is dus niks!

Ik heb mijn seizoenkaart een jaar of twintig. Ben begonnen met jongenskaartjes (50 cent!!), doorgegaan naar de oude Reynoldstribune en inmiddels zit ik in een keurig huisvadervak in De Arena. En alles meegemaakt. De toptijd onder Michels en Kovacs in het begin van de jaren zeventig, de prachtperiode met Johan en uiteraard de glorie met Louis halverwege de jaren negentig. Maar ook daar tussendoor ben ik altijd gebleven. Koester prachtige herinneringen aan maffe uitwedstrijden diep in Europa en weet mij tevens de meest vreselijke debacles te herinneren.

Een aantal vrienden van mij heeft niets met voetbal en het lukt me niet om het die jongens uit te leggen wat het nou is. Het is niet alleen het voetbal, het was vroeger ook lijn 9, de geur van warme worst, de man die de programma's verkocht, de koetjesrepenkoning, het blikken geluid uit de speakertjes en al die andere ondefinieerbare ingrediënten die een zondagmiddag zo lekker maken. En het is natuurlijk het clubgevoel. In het woord club ligt alles besloten.

En misschien had ik daarom zo'n triest gevoel na het zien van Daar hoorden zij engelen zingen, de wat lange documentaire over de teloorgang van de voormalige topclub Ajax. In 1995 werd de Champions League nog gewonnen, een jaar later kwamen ze tot de finale en nu, vier jaar later, zie je een wanhopige en radeloze tobclub, een stuurloos wrak.

Roel van Dalen, de maker van deze documentaire, mocht tijdens het seizoen 1999-2000 een jaar lang overal bij de club filmen en ik vind het moedig van Ajax dat ze niet halverwege zijn gestopt en hem de deur hebben gewezen. De beelden zijn ronduit onthutsend. Je ziet een hakkelende Wouters, een wanhopige David Endt, een verbijsterde Van Os, een balende Bobby Haarms, een teleurgestelde Chivu, een dolende Frank Kales en ga zo maar door. Ze zijn allemaal doordrenkt van onmacht. Het gaat niet, niks lukt, iedereen wanhoopt zich door de catacomben. Zelfs Real Mallorca is een maatje te groot.

De documentaire gaat niet alleen over de ondergang van het eerste. Je krijgt tevens een goed beeld van de Amsterdamse jeugdopleiding en daar word je ook niet echt vrolijker van. Kleine jochies worden klaargestoomd voor het grote voetballeven. Vooral de scène in Ghana, waar drie kinderlokkers van Ajax arme negertjes scouten, kan je niet zonder schaamrood bekijken. Echt gênant. Het zit hem vooral in de toon en de blik van de Ajax-mannen. Drie rijke ooms, protsend met het geld van de baas, komen de mannetjes verlossen. Ik ben bang dat ze zelf niet eens doorhebben dat hun toontje nogal denigrerend is.

Onderhand merkte ik, tijdens het kijken naar de kinderkleedkamer en de overigens best aardige trainers, bij mezelf een soort weerzin opkomen. Weerzin tegen die voetbalcultuur. Jongetjes van tien jaar oud, die een glamourvolle voetbalworst wordt voorgehouden en die murw gemaakt worden met dit domme spelletje. Over Cruijff lees je dat hij in de schaduw van De Meer geboren is en dat hij daar als jochie altijd rondhing. Vrijwillig! Van Van Hanegem weet ik dat hij uren en uren op straat voetbalde en net zo lang tegen een bal trapte tot hij hem op de juiste manier raakte. Vrijwillig. En deze jongetjes doen het natuurlijk ook vrijwillig, maar toch... Er zitten iets te grage ouders en trainers achter. Je krijgt je vinger er niet op, maar je voelt dat het ongezond is. En wat word je? Voetballer. En elk jochie loopt natuurlijk met Overmars, Kluivert en Davids in zijn droomhoofd, niet wetende dat de meesten niet verder komen dan een kleurloze Graafschapmiddenvelder of een NEC-back. Als ze dat al halen. Nog meer jongens vallen terug in het diepe gat der amateurs. Ik vind het gesol met kinderen en mijn gevoel zegt dat het niet deugt. Kinderen moeten spelen!

De documentaire is te lang, maar geeft wel een mooi beeld van de teloorgang en vooral de onmacht. Volgens mij moet je als het misgaat harder trainen, maar dat zie je niet. Je ziet een deken van lamlendigheid die over de club ligt en het maakt me als supporter erg droef. Vooral omdat ik bijna zeker weet dat dit het begin is van zeven magere jaren. Zeven? Ik denk veel langer.

En je ziet dat de club een bedrijf geworden is en dat zet je als supporter aan het denken. Wie gaat er nou een beursgenoteerd bedrijf toejuichen? En dan nog een slecht bedrijf ook. Je mag een ding hopen: Dat heel Ajax deze documentaire goed bekijkt en weer heel gauw een echte voetbalclub wordt en heel hard gaat trainen. Dan worden mijn zondagmiddagen ooit weer stukken aangenamer. Want ik hoor bij die dombo's die blijven zitten.

Waarom? Omdat ik supporter ben. Ik kan niet anders!