De `arenlezers' van nu

Voor Les Glaneurs et la Glaneuse zocht Agnès Varda mee met de mensen die na het sluiten van de markt speuren naar iets eetbaars in het afval.

HET LEK IN HET PLAFOND is gerepareerd – ze moest wel, de muren werden er vochtig van – maar de klok zonder wijzers staat prominent in de vensterbank. Stille getuige van een gefilmd leven: zowel het lek als de klok laat ze zien in haar laatste film, de documentaire Les Glaneurs et la Glaneuse. Maar autobiografisch zijn haar films niet, waarschuwt Agnès Varda meteen, als het bezoek de klok opmerkt. Volgens Orson Welles hangt de kwaliteit van een kunstwerk af van de mate waarin de maker zichzelf blootgeeft en de in België geboren filmmaakster Varda zegt het hem na.

Het publiek moet de maker aanwezig voelen. Zonder dat ze direct over haar leven gaan, zijn Varda's films dus wel ,,persoonlijk, gebaseerd op ervaringen, gaandeweg verworven inzicht''. Toeval is het woord: dat moet je durven toelaten. ,,Ik heb een talent voor toeval en doe er mijn voordeel mee. Toeval zijn de cadeautjes die het leven je geeft, die het leven mijn films geeft. Ze zijn een verlengstuk van de werkelijkheid.''

Vermoeid, maar druk, en bazig orders uitdelend aan haar personeel, zit de 72-jarige cineaste tegenover haar bezoek, in de Parijse Rue Daguerre, waar ze sinds jaar en dag woont. Ze is net terug van een tournee door Amerika en Canada, in het voetspoor van haar nieuwe film, die op ,,al wel vijftig'' festivals vertoond is. Ze gaat in op de uitnodiging zelf ook te komen als het om steden met interessante musea gaat, zoals Toronto, Chicago, New York: beeldende kunst en fotografie zijn immers haar ,,eerste hartstochten''. Van films wist ze niets toen ze in 1954 haar eerste maakte, La Pointe Courte. Had ze toen al de meesterwerken gezien die ze later zag, dan had ze er nooit aan durven beginnen. Dan had ze de filmgeschiedenis niet verrijkt met klassieken als L'Opéra mouffe (1958), Cléo de 5 à 7 (1962), L'Une chante, l'autre pas (1977), Sans toit, ni loi (1985): meer dan dertig korte en lange speelfilms en documentaires in totaal.

Verschil tussen die genres is er wat haar betreft niet, voorkeur nog minder. ,,Ik maak mijn speelfilms op precies dezelfde manier als documentaires. Ze overkomen me, de ideeën zoeken mij in plaats van omgekeerd. Daguerrotypes, over mijn straat, maakte ik toen ik, begin jaren zeventig, zwanger was van mijn zoon Mathieu. Een nakomertje, ik mocht mijn huis nauwelijks uit en besloot te filmen binnen de mij toebemeten actieradius, die nog verder beperkt werd omdat ik geen gebruik wilde maken van de electra van mijn buren. De lengte van mijn verlengsnoeren bepaalde de reikwijdte van mijn blik – daar heb je het weer: autobiografisch kun je zoiets niet noemen, maar die filmbepalende omstandigheid had wel alles met mijn leven op dat moment te maken.''

Negen jaar geleden maakte ze Jacquot de Nantes, over haar man, of liever over de vrolijke jeugd van haar man Jacques Demy, die een jaar daarvoor overleden was. Ze liet de personages regelmatig in gezongen dialogen losbarsten, een verwijzing naar Demy's `zang-films' Les Parapluies de Cherbourg en Une Chambre en Ville. Tijdens ons gesprek, enkele dagen voor de dag waarop Demy tien jaar geleden stierf, is Varda druk in de weer met het zoeken naar een tekst voor een in memoriam-advertentie. Ze declameert regels van Aragon, van Prévert en van Queneau. De laatste wordt het: ,,Hij wilde een plant aan zijn hart drukken, zonder hem te ontwortelen.'' Omdat het ,,tegelijkertijd wreed en gevoelig'' is. En omdat de bezoeker die regel ook mooi vindt.

,,Kijk, daar houd ik van, zulke dingen te delen. Ik ben nieuwsgierig naar andere mensen en hun meningen. Zelf heb ik nauwelijks meningen, ik ben geen moralist. Daardoor heb ik Les Glaneurs kunnen maken, gewoon door oprechte belangstelling. Ik kwam op het idee van de film door een televisieprogramma over een boer die graan aan het oogsten was. Hij vertelde, dat als zijn machine verkeerd was afgesteld, er veel graankorrels op het land achterbleven en hem dat veel geld kostte. Ik moest daardoor denken aan het schilderij Les Glaneuses, van Millet, uit de negentiende eeuw. En vervolgens dacht ik aan de mensen die, zij het op een andere manier, ook vandaag nog van restanten leven. Ik wilde ze opzoeken, kijken wie ze waren.''

Een glaneur is een `arenlezer', een arme sprokkelaar die in voorbije tijden na de oogst naar achtergebleven graankorrels zocht in de korenaren. Hij was daartoe bij wet gerechtigd, in het Franse recht een wet uit de zestiende eeuw, die nog steeds van kracht is. Een moderne variant van de arenlezer zijn de mensen die, na het sluiten van de markt, naar eetbare restanten in het afval zoeken. `La glaneuse' in de titel van de film is Varda zelf, die op haar beurt zocht naar deze mensen.

,,Mijn film maakt op een bepaalde manier een balans op van de huidige samenleving. Ik registreer alleen maar, hoewel ik aanvankelijk medelijden had met de oudjes die ik ineens overal zag rondscharrelen. Maar met medelijden kom je er niet, dat hindert je alleen maar in het contact met deze mensen. Hun vertrouwen heb ik gewonnen door eindeloos geduld. Aan een dame die even een camera op ze komt richten, hebben ze terecht geen enkele boodschap. Ik heb met ze meegezocht, en met ze gepraat in plaats van ze te interviewen.

,,Medelijden zou hoe dan ook misplaatst zijn geweest. Deze film gaat over overleven, ja, zelfs over joie de vivre. Ik ben diep onder de indruk geraakt van de glaneurs van onze tijd. Woede of verbittering kennen ze niet, en ze zijn allemaal bereid het weinige dat ze hebben te delen. Ze zijn gul, áárdig. François, die al tien jaar rauwe, tussen het marktafval gevonden groenten eet, geeft al zes jaar dagelijks alfabetiseringscursussen, gratis en voor niets. Het is een zeldzame levenswijsheid en voor mij een les in bescheidenheid.''

Varda is in haar film letterlijk zelf aanwezig. Ze filmt haar handen en zegt dat, zo te zien, ,,het einde nadert''. Met ijdelheid heeft dat niets van doen. ,,Het gaat om de zin daarna: `Op weg!', zeg ik. De zoektocht is begonnen. Door mijn oude hand te filmen, geef ik een kader aan mijn film, een kader van feitelijkheid. Het fragment heeft ook te maken met wat ik noem: cinécriture, de taal van mijn films. Dat is het ritme, de montage, de muziek, het commentaar, de camera-instellingen, de inspiratie. Film is geen goed geïllustreerd scenario. Scenario's zeggen me niks. Ik zoek en vind, aan de hand van een vloeiend, zich ontwikkelend uitgangspunt.''

Het is de reden waarom Varda tijdens de opnames al aan de montage begint. ,,Draaien, monteren, draaien, monteren – ik maak mijn films gaandeweg. Pielen, proberen, om- of weggooien. Filmers hebben een grote macht. In een museum kan het publiek zijn blik langs schilderijen laten glijden en doorlopen, in de bioscoop zijn ze gedwongen zolang naar een beeld te kijken als ik wil. Godard en Ackerman maken daar met hun lange shots vaak opzettelijk misbruik van en de irritatie die dan ontstaat, kan inderdaad lonen. Het gaat schuren, wekt emotie op. Maar ik wil emotie opwekken door een veelheid aan emoties aan te bieden, waarin elke toeschouwer iets van zijn gading vindt. Gelaagdheid, waardoor het publiek iets herbeleeft, waarvan hij zich niet eens bewust was. Ik ben in Brussel geboren, heb er slechts kort gewoond. Maar in Hugo Claus' Verdriet van België trof ik scènes, landschappen, personages aan die ik door en door kende, terwijl ik dat niet eens wist. Wát een toeschouwer precies uit mijn films oppikt, doet er niet toe, maar zo'n effect moeten ze hebben.''