Vrijheid blijheid met Hermans

Kok-II is begonnen aan de tweede helft van de kabinetsperiode. Minister Hermans (Onderwijs) is voor meer vrijheid en eigen verantwoordelijkheid in het onderwijs.

Het is voor veel schooldirecteuren even slikken als ze minister Hermans (Onderwijs) horen praten.

Hij ziet hen als managers met onderwijs als hun `core-business'. Om niet overbelast te raken, kunnen ze proberen `overige ballast' kwijt te raken door bijvoorbeeld het personeelsbeleid uit te besteden aan commerciële bureaus. Als ze te weinig geld hebben voor computers of extra activiteiten, kunnen ze een bedrijf zoeken dat hen sponsort. En desnoods doen ze een beroep op ouders voor een fikse bijdrage.

Modern bestuur is volgens Hermans (VVD) noodzakelijk om het onderwijs meer vrijheid en verantwoordelijkheid te laten dragen. Want daar is hij een groot voorstander van. De liberale minister heeft de afgelopen twee jaar rigoureus willen breken met de vele regels die het ministerie de scholen in het verleden oplegde. Schoolbesturen, ouders en leerlingen moeten zelf het beleid bepalen. Scholen moeten zelf weten hoe zij hun geld verdelen over leraren, lesmethoden, meubilair, schoonmaak en huisvesting. Ze moeten eigen keuzes kunnen maken. Pas als ze daarbij uit de bocht vliegen, zullen onderwijsinspectie en bewindslieden ingrijpen. En passant haalde Hermans ook de bezem door zijn eigen ministerie.

De maatregelen die Hermans in de eerste helft van zijn periode heeft genomen, waren in lijn met zijn denkbeelden over decentralisatie en eigen verantwoordelijkheid. De studiefinanciering die studenten opjoeg om in vier jaar hun studie af te maken, werd door hem drastisch verruimd. Niet dat er meer geld bij kwam, maar studenten kunnen nu hun studie onderbreken voor een wereldreis, een bestuursfunctie of een baan. Dat is de verantwoordelijkheid van de individuele student.

In lijn met veel Europese collega's voert de minister nog deze kabinetsperiode de Angelsaksische bachelor/masterstructuur in. Studenten kunnen dan gemakkelijker naar een hogeschool of universiteit in het buitenland overstappen en vice versa, of bijvoorbeeld na een bachelordiploma aan een hogeschool een mastertitel halen aan een universiteit. Ook hierdoor kunnen studenten dus meer kiezen.

De bachelorfase (vier jaar voor het hbo, drie jaar op de universiteit) moet voor iedereen toegankelijk zijn, maar voor de masteropleiding mogen hogescholen en universiteiten studenten selecteren en `supertopmasterklasjes' samenstellen. Concurrentie tussen instellingen komt de kwaliteit ten goede, vindt de minister.

Toch had niet Hermans de afgelopen twee jaar de gevoeligste onderwerpen bij de hand, maar zijn staatssecretaris Adelmund (PvdA). Hermans bleef buiten schot, terwijl zij geschiedenis schreef toen in december vorig jaar woedende scholieren op het Haagse Binnenhof protesteerden tegen het `studiehuis', het vernieuwde onderwijsprogramma in de hoogste klassen van havo en vwo. De scholieren vonden dat de werkdruk in het studiehuis buitensporig was toegenomen. Adelmund stelde de eisen voorlopig bij, een evaluatie volgt binnenkort.

Even later kreeg Adelmund problemen over de `zwarte' scholen in het basisonderwijs. De Tweede Kamer verwachtte een `deltaplan' om de achterstand van allochtone leerlingen aan te pakken, maar zij kwam met een kleinschalig `voorbeeldproject'. Ook met de samensmelting van mavo en vbo tot vmbo (voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs) vlot het niet. Het vmbo kampt met een slecht imago. Veel zwakke leerlingen dreigen buitenboord te vallen. De oplossing van de staatssecretaris – de allerzwaksten gedeeltelijk vrijstellen van de leerplicht en hen laten werken – werd met hoon ontvangen. Hoewel Adelmund optimistisme blijft uitstralen, ligt er noch voor de allochtone achterstandsleerlingen noch voor het vmbo een oplossing in het verschiet.

Een van de belangrijkste problemen in het onderwijs heeft Hermans noch Adelmund kunnen oplossen: het lerarentekort, dat de komende jaren alleen maar zal oplopen. Niet alleen basis- en middelbare scholen kampen met een tekort, ook het middelbaar beroepsonderwijs en het hoger onderwijs ervaren de krapte van de arbeidsmarkt.

Zonder goede leraren geen goed onderwijs, dus werd de stille reserve (met name huisvrouwen met een ongebruikte lesbevoegdheid) uitgenodigd terug te keren naar school. Ook werd de weg vrijgemaakt voor `zij-instomers', mensen uit het bedrijfsleven die na een korte stoomcursus voor de klas mogen. Hermans heeft, vindt hij zelf, alles uit de kast gehaald om de tekorten weg te werken.

Blijft over het tekort aan geld. Scholen en universiteiten, bonden en organisaties klagen structureel. Hermans en Adelmund reageren eensgezind dat de tijd van de bezuinigingen in het onderwijs voorbij is. Maar het extra geld dat het kabinet dit jaar uittrekt voor het onderwijs gaat voor een deel op aan de toename van het aantal leerlingen en studenten. Wat overblijft wordt door scholen en universiteiten volstrekt onvoldoende gevonden.

Gisteren kwam de minister wel met 400 miljoen gulden over de brug. In het kader van de najaarsnota had minister Zalm (Financiën) 1,2 miljard gulden gevonden, waarvan Hermans een derde heeft gekregen. Met dat geld kunnen al te haveloze schoolgebouwen worden opgeknapt en kan de inventaris worden aangevuld.

Vorige week kondigden Hermans en Adelmund een `meerjaren investeringsplan' aan. Hoeveel geld dat omvat, is nog onduidelijk. Het Kamerlid Barth (PvdA) noemde het dan ook `goedkoop' om als overheid terug te treden, zonder dat duidelijk is op hoeveel geld het onderwijs kan rekenen.

Als Hermans wil dat scholen als bedrijven worden gerund, als het onderwijs als werkgever aantrekkelijk moet worden, als allochtone leerlingen extra aandacht moeten krijgen, als het studiehuis goed moet functioneren, als er topopleidingen in het hoger onderwijs moeten komen, dan is er geld nodig, roepen schoolleiders, rectoren en bestuursvoorzitters.

Hermans reageert daar steevast op met een diepe zucht: altijd die schreeuw om geld, het is ook nooit goed.

DOSSIER RIJKSBEGROTING 2001www.nrc.nl/Den Haag

Eerdere delen van deze serie verschenen op 4,18,19 en 31 oktober, en op 3,7 en 8 november.