Virus

De man achter de kassa bij de supermarkt draait zich om als ik mijn boodschappen op zijn tafel zet. Hij is zwaar verkouden. Hij slaat zijn handen tegen zijn neus en niest. Dan draait hij zich weer terug en pakt mijn boodschappen op om ze te scannen.

Op dergelijke situaties heb ik vroeger weinig acht geslagen smetvrees was mij vreemd maar na een recent artikel van Hans van Maanen in Het Parool over verkoudheden ben ik ten einde raad. Hij ontmythologiseerde elf opvattingen over verkoudheid, een kwaaltje waar ik, als zoveel mensen, op gezette tijden veel last van heb.

Dat verkoudheid niet door een koutje, maar door een virus wordt veroorzaakt, was al tot me doorgedrongen. Die ontdekking zette een paar jaar geleden een forse streep door een belangrijk deel van mijn tot dan geleefde leven. Eerst had mijn moeder het mij onvermoeibaar voorgehouden: ,,Kind, doe een muts op.'' Je probeerde thuis weg te sluipen om die onverbiddelijke woorden maar niet te hoeven horen. Later riep ik ze naar mijn eigen kinderen, die ook die universele kinderhaat koesterden tegen welk hoofddeksel dan ook.

Het bleek niets uit te maken. Je kunt volkomen naakt door heel Alaska lopen en je hoeft er niet één hoestje aan over te houden.

Die smerige virussen, daar gaat het om. Hoe slaan zij toe? Ik dacht altijd dat het via de lucht van mens tot mens ging. Dus bleef ik zoveel mogelijk op afstand van mensen die mij met verstopte neus toespraken. Ik kreeg soms zin om het virus met een brede veeg in hun gezicht terug te meppen.

Het hielp niet. Van Maanen legt uit waarom: verkoudheidsvirussen verplaatsen zich doorgaans niet via de lucht, maar via de handen. ,,Aanhoesten is veel minder een probleem dan deurknoppen, telefoonhoorns en speelkaarten aanraken'', schrijft hij. Een stevige handdruk is veel gevaarlijker dan een blaf in het gezicht. Via je hand baant het virus zich een weg naar je neus en je ogen. Dat virus zit niet alleen op handen en telefoonhoorns, maar ook op stoelen, tafels en kranten. Het kan het daar een hele dag uithouden!

En er blijkt geen kruid tegen gewassen. Dat apothekers en drogisten ons meestal placebo's voor citroenen verkopen, vermoedde ik al, maar ik wist niet dat het zó erg was. Hoestdrankjes, vitamine C, stomen, zinkpreparaten, antibiotica, kortom, die hele armee van bestrijdingsmiddelen blijkt waardeloos in de oorlog tegen het virus.

Het virus is een genadeloze God: hij komt en gaat wanneer hij het wil.

Wat Marx en Joop den Uyl nooit lukte, heeft zich nu alsnog bij mij voltrokken: een volledige omkering van mijn wereldbeeld. Ik bezie handen en voorwerpen voortaan als potentiële virusdragers, die mij opeens voor minstens veertien dagen in een kerker vol slijm en snot kunnen gooien. Die man achter de kassa laat hij thuisblijven en zijn eigen vrouw en kinderen besmetten.

En u, krantenlezer, u bent gewaarschuwd. Ik tikte dit stukje met mijn handen.