Nieuwe economie noopt niet tot nieuw economisch beleid

Er is alle reden voorzichtig te zijn met het doortrekken van kortetermijnontwikkelingen naar de toekomst. Daarom moeten er volgens Gerrit Zalm ook geen voorbarige conclusies worden getrokken uit de nieuwe economie. Behoedzaam begrotingsbeleid blijft noodzakelijk.

Is de nieuwe economie wel zo nieuw? Al in de jaren zestig kondigden twee Amerikaanse toekomstdenkers Herman Kahn en Anthony Wiener de nieuwe economie aan in hun beroemde boek `The Year 2000. A Framework for Speculation on the Next 33 Years'. In dat boek becijfert Kahn, die zichzelf beschouwde als één van de tien meest beroemde onbekende Amerikanen, dat als gevolg van met name ICT het inkomen per hoofd in de VS zou kunnen verdubbelen en de Amerikanen tegelijkertijd veel meer vrije tijd zouden kunnen genieten.

In een van de scenario's, het leisure-scenario, rekenden zij voor dat een vierdaagse werkweek met een 7,5-urige werkdag en 13 weken vakantie een realistische optie was. Dit leisure-scenario vertoont overeenkomsten met het langetermijnperspectief van Keynes, die in 1930 tijdens de grote depressie een artikel schreef over `Economic Possibilities for Our Grandchildren'. Daarin schetste hij een toekomstbeeld, waarin door technologische ontwikkelingen de economische schaarste grotendeels zou zijn opgelost.

Nog geen tien jaar na de publicatie van Kahn en Wiener was dit utopisch perspectief echter volledig verdrongen door de analyses van de Club van Rome, die de eindigheid van de grondstoffenvoorraden onderstreepten. In plaats van overvloed en vrije tijd door automatisering leek Malthusiaanse schaarste weer het sleutelwoord voor de toekomst. De dismal science was weer terug; de nieuwe economie leek ver weg.

De jaren tachtig stonden in het teken van herstel van economische groei. Met de belangstelling voor groei keerde ook de belangstelling voor de productiviteitsgroei en technologische ontwikkeling terug. De introductie van de personal computer, begin jaren tachtig, creëerde hoge verwachtingen, die echter niet uitkwamen. Robert Solow verwoordde deze teleurstelling met zijn beroemde uitspraak: dat je in Amerika overal computers zag behalve in de productiviteitsstatistieken.

Vanaf midden jaren negentig is de Amerikaanse economie echter weer back on top met zeer sterke prestaties: hoge economische groei, sterke productiviteitsstijging en een gematigd inflatietempo. In de euforie hierover heeft men in de Verenigde Staten, na een periode van 25 jaar trage groei van de productiviteit, de nieuwe economie uitgeroepen. De ICT-belofte uit de jaren zestig lijkt ten langen leste toch werkelijkheid te gaan worden. Vooralsnog blijft één belangrijk verschil met Kahn en Wiener bestaan: het luilekkerland is niet uitgekomen. Hoewel het inkomen per hoofd van de Verenigde Staten inderdaad verdubbeld is, werken de Amerikanen nauwelijks minder uren dan in 1965, namelijk nog steeds circa 1900 uren.

Ook in Nederland is de economische ontwikkeling in de afgelopen jaren zeer gunstig geweest: stabiele hoge groei en weinig inflatie. In het voetspoor van de Amerikanen heeft dit ook in Nederland een discussie op gang gebracht over de nieuwe economie. In sommige beschouwingen zijn al conclusies getrokken over het begrotingsbeleid in de volgende kabinetsperiode.

Nieuwe economie heeft betrekking op de doorwerking van ICT op de economie. Dit gebeurt op drie manieren. De eerste lijn is dat ICT efficiëntere verwerking van informatie mogelijk maakt. De kosten om tot een transactie te komen nemen daardoor af. Je krijgt meer waar voor je geld of je bent goedkoper uit, waardoor er geld overblijft voor andere zaken. ICT leidt dus tot welvaartsverbetering. Bij al deze effecten gaat het om eenmalige niveauverbeteringen die zich in principe op alle markten voordoen. Een meer dynamisch effect zou kunnen zijn dat de effectievere marktwerking aanzet tot meer innovatie en daardoor ook het groeipotentieel van de economie verhoogt. Qua uitstraling staat ICT hiermee op één lijn met doorbraaktechnologieën die in de vorige eeuw de groei hebben bevorderd, zoals elektriciteit en de benzinemotor.

ICT is dus een belangrijke doorbraaktechnologie met een aanzienlijk maar niet exact aan te geven potentieel voor welvaartsstijging. Het effect van de nieuwe economie op de conjunctuur is niet eenduidig. Voor de nieuwe economie is geen nieuwe economische theorie nodig.

De moderne visie op economische politiek komt er op neer dat de overheid daar moet interveniëren waar de markt faalt en de kans op overheidsfalen gering is en in ieder geval kleiner dan bij de markt. Wat de overheid in het kader van ICT dus moet doen, is nagaan of ICT nieuw marktfalen genereert en voorts nagaan of de instituties die zij gecreëerd heeft, voldoende ICT-bestendig zijn. Anders gezegd of zij economische actoren optimaal kans bieden om ICT te benutten. ICT zal op vele terreinen van overheidsbeleid doorwerken.

Evenmin als de nieuwe economie nieuwe economische theorie nodig heeft om te worden begrepen, zo lijkt het er vooralsnog ook op dat ICT niet tot veel nieuwe inzichten heeft geleid over de inhoud van het beleid. ICT heeft echter wel vaak een katalyserende invloed gehad, in de zin dat het ons veel sneller bewust heeft gemaakt van aanwezige markt- en overheidsfeilen en de noodzaak daar wat aan te doen. De Azië-crisis is hiervan het meest sprekende en pijnlijke voorbeeld. Hier kan een parallel worden getrokken met de grotere transparantie die ICT in de marktsector genereert. Evenals meer transparantie in de marktsector dwingt om effectiever te concurreren, zo wordt de overheid gedwongen haar efficiëntie te verbeteren.

De rol van de overheid is het creëren van de juiste condities: om de positieve kansen van ICT te benutten en de risico's ervan te beperken. De bijdrage van ICT aan de productiviteitsontwikkeling op middellange termijn kan heel moeilijk worden ingeschat. Tegenover dit onzekere effect staat de zekerheid dat de groei van het arbeidsaanbod door demografische factoren de komende jaren zal afnemen. In het afgelopen decennium bedroeg deze groei circa 0,6 procent per jaar; de komende tien jaar is er sprake van een krimp van het arbeidsaanbod met circa 0,1 procent per jaar. Sinds het midden van de jaren negentig heeft de jaarlijkse groei van de werkgelegenheid zo'n 2 à 3 procent per jaar belopen en overtrof daarmee ruimschoots de demografische groei van het arbeidsaanbod door te putten uit het reservoir van uitkeringsgerechtigden en niet-werkende vrouwen.

Het zal niet eenvoudig zijn zo'n grote marge ten opzichte van de demografische ontwikkeling te handhaven. Naarmate de uitkeringsafhankelijkheid afneemt wordt een verdere verlaging steeds moeilijker. Ook moet dan gerekend worden met een drukkend effect op de productiviteitsontwikkeling. De implicatie hiervan is dat het extrapoleren van de groeitrends van de afgelopen jaren zowel vanuit werkgelegenheids- als vanuit productiviteitsperspectief met veel onzekerheid omgeven is. Het is dus niet verstandig ons te voren rijk te rekenen met een beroep op de nieuwe economie.

Ook vanuit het bredere historische perspectief is er alle reden voorzichtig te zijn met de extrapolatie van kortetermijnontwikkelingen naar de toekomst. Naast de zeven vette en magere jaren van de bijbel zijn er Malthus, Keynes, Kahn en de Club van Rome die wisselende beelden neerzetten. Deze historische voorbeelden illustreren op treffende wijze hoe snel en hoe radicaal omslagen in de economie en in het economisch denken daarover plaatshebben en ook hoe onvoorspelbaar ze zijn. Dit historische besef van eigen onwetendheid verklaart dat we bij de voorbereiding van het begrotingsbeleid voor het volgende regeerakkoord op macroniveau moeten vasthouden aan het uitgangspunt van behoedzaamheid. Degenen die liever het woord voorzichtigheid gebruiken, mogen van mij hun zin krijgen.

Integrale tekstwww.minfin.nl

Drs. G. Zalm is minister van Financiën. Dit is een bewerking van de Telderslezing die hij gisteren in Den Haag heeft gehouden.