`Aantal beunhazen in restauratievak neemt toe'

De opleiding tot restauratie-expert in Maastricht bestaat tien jaar. Het aantal beunhazen in het vak neemt echter alleen maar toe. Directrice Anne van Grevenstein pleit voor aansluiting bij het universitair onderwijs als `eerste stap naar de bescherming van het beroep'.

Nederland is de Europese hekkensluiter op het gebied van kunstrestauratie. En hoewel er tegenwoordig een officiële opleiding voor restauratoren bestaat, wordt de situatie er niet beter op. ,,Er zijn tegenwoordig zelfs meer beunhazen dan tien jaar geleden,'' zegt Anne van Grevenstein, voormalig restauratrice van het Frans Halsmuseum in Haarlem en sinds 1990 directrice van de Stichting Restauratie Atelier Limburg (SRAL) dat deze maand zijn tienjarig jubileum viert.

,,Het behoud van kunstcollecties is een overheidstaak, dat moet je niet overlaten aan de markt,'' vindt zij. ,,Toch is dat wat staatssecretaris Van der Ploeg voorstelt. Dat hij musea uit hun afhankelijke positie wil halen en hun financiële creativiteit wil stimuleren is prima, maar collectiebehoud moet een stevige basis hebben. Ik pleit voor een permanente versie van het zogeheten Deltaplan, een solide overheidsondersteuning voor restauratie vergelijkbaar met die in de gezondheidszorg.''

In het afgelopen decennium zijn in het stichtingsgebouw in Maastricht enkele tientallen restauratiedeskundigen opgeleid en privé-restauratoren uit binnen- en buitenland bijgeschoold. Van Grevenstein, bezig met een restauratieproject in Rijswijk, zegt: ,,Met de ambachtelijke manier van opleiden van vroeger was de overgedragen kennis vaak fragmentarisch en dogmatisch. Nu leren restauratoren om vanuit een wetenschappelijke analyse hun beslissingen te nemen. Dat was in de geneeskunst al gemeengoed vanaf de achttiende eeuw, maar in de kunstrestauratie is dit relatief nieuw.''

Maar Van Grevensteins ambities op het gebied van onderwijsvernieuwing gaan verder dan puur inhoudelijk. ,,We zouden graag aansluiting vinden bij het universitaire onderwijs. Nu ressorteren wij onder het Instituut Collectie Nederland (ICN) in Amsterdam, een onderdeel van het Ministerie van OC&W. Samen met het ICN wordt onderzoek gedaan naar de mogelijkheden voor een tweedefase opleiding met een masters-titel zoals die bekend is in het Angelsaksische onderwijs. Zo'n model zou ideaal zijn. Je zou dan mensen met een bachelors vooropleiding kunnen opleiden tot masters in conservering. Als Cultuur en Onderwijs hierin samenwerken dan heb je echt iets goeds, kwalitatief vergelijkbaar met wat er al in het buitenland is. De universiteiten in Groningen, Maastricht, Delft en Amsterdam, die nu de specialisatie cultureel erfgoed, architectuur-restauratie of technische kunstgeschiedenis bieden, komen natuurlijk het eerst in aanmerking voor zo'n samenwerking''

De huidige opleiding in Maastricht zou als basis kunnen dienen voor een erkende universitaire opleiding. Afgestudeerden variërend van kunsthistorici tot scheikundigen krijgen nu een driejarige opleiding bij het SRAL waarbij de praktijk een primaire rol speelt. De acht grote, nationale musea met een restauratie-afdeling zijn nauw betrokken bij het leerplan. Twee stagejaren gelden als een minimum voor het behalen van een diploma. Aankomende restauratoren van de opleiding hebben ervaring opgedaan bij onder meer het herstellen van door oorlogsgeweld beschadigde schilderijen in Boekarest, Hollandse meesters uit het Georgische Staatsmuseum in Tblisi en grote restauratieprojecten zoals de Oranjezaal van Paleis Huis ten Bosch, dat volgend jaar wordt afgerond. Het vakgebied, oorspronkelijk alleen schilderijrestauratie, is in de afgelopen tien jaar uitgebreid met moderne kunst en historische binnenruimtes.

De jaarlijkse exploitatie van de Stichting is in die periode vertienvoudigd tot 2,5 miljoen gulden. Ondanks dit succes is er volgens Van Grevenstein ruimte voor verbetering. Zij streeft naar een stabielere financiering voor de komende kunstenplanperiode. Nu bestaat een derde van het budget uit overheidssubsidie; de rest is afkomstig uit restauratieprojecten, onderzoeksgelden en sponsoring die door de SRAL zelf gegenereerd worden. De restauratrice zou het overheidsaandeel graag opgetrokken zien tot tweederde of ten minste vijftig procent.

Behalve financiële stabiliteit en continuïteit van de opleiding zou opname in een universitair programma een landelijk erkend diploma inhouden, een voor Van Grevenstein niet onbelangrijke consequentie. ,,Dat is de eerste stap naar de bescherming van het beroep'', stelt ze. ,,De aandacht voor het vak is de laatste jaren enorm gegroeid, vooral door de media-aandacht voor grote restauratieprojecten zoals bijvoorbeeld in het Frans Hals Museum en het Mauritshuis. Enerzijds is die aandacht goed, want het publiek heeft het recht te weten waarom een schilderij eerst nicotinegeel was en nu helder van kleur. Bovendien zien mensen dat restaureren meer is dan zomaar poetsen en vegen. Maar het zorgt er anderzijds voor dat de vraag naar opleiding sterk toeneemt. Iemand die voor veel geld een privé-cursus van vier maanden in Florence doet mag zich nog steeds net zo goed restaurator noemen als iemand met een diploma van de universiteiten van New York, Cambridge, Parijs of Dresden. En een slechte restaurator is het ergste wat een schilderij kan overkomen.''