Zaak-Vaatstra

Zelden zo'n staaltje van beroepsdeformatie ervaren als bij het lezen van de opinie van mr. De Korte met betrekking tot het DNA-onderzoek in de zaak-Vaatstra (NRC Handelsblad, 6 november). De Korte put zich uit in allerlei formele, juridische en materiële bezwaren met betrekking tot een grootschalig DNA-onderzoek. Het stelt onder meer dat een dergelijk onderzoek vanuit juridisch-ethische optiek bezien onaanvaardbaar is. Hij spreekt van een evidente aantasting van de grondrechten, te weten de psychische en lichamelijke onaantastbaarheid van het lichaam en neemt het woord heksenjacht in de mond. Let wel, we hebben het hier over het afnemen van wangslijm bij een grote groep burgers, waardoor mogelijk een gevaarlijke crimineel kan worden gepakt.

Mij ontgaat het waarom het doel hier niet de middelen heiligt en geen gebruik zou mogen wordt gemaakt van beschikbare DNA-technieken en waarom een dergelijk onderzoek in bijvoorbeeld Duitsland wel mogelijk is. Het is de zoveelste illustratie van de steeds grotere kloof die lijkt te ontstaan tussen de harde criminele werkelijkheid en de achterblijvende jurisprudentie en rechtspraktijk in ons land.