Kunstmoeras

HET HEEFT EEN haar gescheeld of de Tweede Kamer had gisteren een revolutie in de kunstwereld ontketend. Het cultuurbeleid in Nederland is decennia lang gebaseerd geweest op een beproefde methode, waarin alle partijen hun eigen verantwoordelijkheid hadden. De kunstenaars hielden zich bezig met de praktijk: hun werk in uitvoering. De regering en het parlement droegen zorg voor de middelen: zij stelden het budget beschikbaar. En de Raad voor Cultuur leverde het theoretische raamwerk voor toewijzing: de adviezen welke gezelschappen in aanmerking kwamen voor subsidiëring. Door deze arbeidsdeling had iedereen zijn eigen rol. Of de uitkomst van het drieluik altijd even gelukkig was, is een andere vraag.

In het Kamerdebat over de Cultuurnota, waarmee verantwoordelijk staatssecretaris Van der Ploeg (PvdA) het beleid voor de komende vier jaar heeft geformuleerd, dreigden deze gescheiden rollen gisteren plotseling door elkaar te worden gehusseld. Afgelopen weekeinde hadden de woordvoerders van de drie coalitiefracties een motie voorbereid waarin werd geëist dat een aantal negatieve kwalificaties van de Raad voor Cultuur opnieuw en door een alternatieve commissie zouden worden beoordeeld. Eén van de opstellers was de VVD'er Nicolaï, in een vorig leven secretaris van de nu door hem gekritiseerde Raad voor Cultuur. Omdat zijn PvdA-collega Belinfante zich op de valreep bedacht en haar handtekening onder de conceptmotie introk, strandde de couppoging van PvdA, VVD en D66.

Een coup? Het is een groot woord. Maar als de motie was aangenomen, zou dat een mijlpaal zijn geweest met onvoorziene gevolgen. Het revolutionaire karakter van de motie was niet dat de Tweede Kamer andere budgettaire prioriteiten wilde uitspreken dan de regering – dat is onderdeel van het budgetrecht en kan bijna elk jaar bij de behandeling van de begroting voorkomen – maar dat de volksvertegenwoordiging de verhoudingen tussen de kunstenaars, de overheid en de adviseurs drastisch zou hebben veranderd. De opstellers van de motie zeiden niet dat ze komende vier jaar wel geld voor toneelgroep x en niet voor orkest y wensten, nee, ze wilden deze kwesties voorleggen aan een soort schaduwraad voor cultuur.

WIE HEEFT DEZE troebelen op zijn geweten? Alle bestuurlijke partijen bij de totstandkoming van de Cultuurnota. Ten eerste heeft staatssecretaris Van der Ploeg de Raad voor Cultuur met een onheldere opdracht op pad gestuurd. De adviseurs onder leiding van ex-minister Sorgdrager werden niet alleen geacht vast te stellen wat goed, minder goed of slecht is, maar moesten ook rekening houden met de financiële mogelijkheden van de overheid. Vervolgens heeft de Raad deze opdracht uitgevoerd door een grijs gebied te scheppen van kunstinstellingen die alleen voor subsidie in aanmerking zouden komen als er meer middelen beschikbaar zouden zijn. De Raad had beter simpel kunnen antwoorden met `regering regeer'. En uiteindelijk dreigde een meerderheid in de Tweede Kamer het moeras compleet te maken door haar verantwoordelijkheid af te schuiven naar een tweede commissie die zo als dubbele macht zou moeten gaan opereren.

DE FINANCIERING van het kunstbestel mag dan geen toonbeeld van helderheid zijn, het idee om het bestel nóg breder te maken, brengt iedereen van de wal in de sloot.