Basisvorming is grabbelton geworden

Nu de basisvorming in het voorgezet onderwijs is mislukt, is de tijd aangebroken om het stelsel eigentijdser te maken. Maar daarvoor schrikt staatssecretaris Adelmund terug. Sterker nog: ze vlucht voor dit debat, vindt Ed Schüssler.

Het voortgezet onderwijs is terug bij af. De basisvorming is op essentiële punten mislukt. Vorig jaar was dat de uitkomst van een grootschalig inspectie-onderzoek. Voor de echte oorzaak moet worden teruggegaan naar 1986. Toen lanceerde de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid (WRR) een plan om een einde te maken aan de Hoekse en Kabeljauwse twisten in onderwijsland. Wel of geen middenschool? Volgens het plan van de WRR zou het gaan om de inhoud, pas later om de structuur van het onderwijs. Het was het eerste compromis. In de politiek telt echter alleen de inhoudelijke vernieuwing, ziedaar het volgende compromis. Basisvorming werd dus ingevoerd binnen het bestaande stelsel.

De aanvankelijke euforie ebde weg toen alles in wetgeving was vertaald. In 1988 rook de Deetman-basisvorming nog te veel naar middenschool, vond vooral de VVD. Uiteindelijk was het de PvdA'er Wallage die het ontwerp door de Kamers loodste, nadat alle gevoelige punten waren weggemasseerd. Om ook de VVD mee te krijgen, wat overigens mislukte, werd uitstel van studiekeuze bijvoorbeeld niet gekoppeld aan een voorgeschreven vorm van groepering, maar overgelaten aan de fantasie van scholen. Later zou dat de achilleshiel van deze vernieuwing blijken.

Basisvorming werd in 1993 ingevoerd met als doel de jeugd in de eerste twee à drie jaar een gelijk kernprogramma te bieden. In het ambitieuze pakket van 15 vakken zaten ook nieuwe vakken als techniek en verzorging. Voor alles zijn kerndoelen ontwikkeld, een nieuw fenomeen. Die doelen laten zien dat het ook en vooral om nieuwe vaardigheden gaat. Ook dat niet iedereen dat programma op hetzelfde niveau hoeft te volgen. In twee jaar zou bekeken worden wat de basisvormer in zijn mars had, en moest een advies komen voor vervolgonderwijs. Om druk op de ketel te houden, werden landelijke toetsen geprogrammeerd. Op papier zag het er allemaal glimmend uit.

We zijn inmiddels zeven jaar verder en een illusie armer. Ongetwijfeld hebben we gewonnen aan algemene vorming. Alle vakken kregen een update. Maar die plus verbleekt bij de tegendraads verscherpte gerichtheid op kennis. De veelzijdige vorming heeft het niet gehaald. Van een didactisch reveil – meer ruimte voor actief leren – is nauwelijks sprake. Ook de gemeenschappelijke vorming is een schijnvertoning omdat veel scholen al vanaf klas 1 leerlingen per schooltype sorteren. Volkomen in strijd met de bedoeling van basisvorming is de brugklas in feite uit het voortgezet onderwijs weggelekt.

De inspectie constateert eufemistisch dat maar weinig zaken lekker lopen, wijt dat aan overladenheid van het programma en vluchtgedrag van docenten die het laten afweten als het om meer zelfstandig leren gaat. Daarom stelt zij voor om te snoeien in het aantal vakken en om de leerlingenweek met twee uur te bekorten, waardoor ruimte kan komen voor bijscholing van docenten. Ruim een jaar na dat rapport komt staatssecretaris Adelmund met een teleurstellende reactie op de symptoombestrijding van de inspectie. Bij gebrek aan echte oplossingen, vraagt ze de Onderwijsraad advies over een nieuw programma dat in 2004 kan worden ingevoerd. Dat programma moet `op maat' en `naar schoolsoort gedifferentieerd' zijn.

In gewoon Nederlands betekent het dat er soorten basisvorming moeten komen. Eén voor havo/vwo met bijvoorbeeld drie talen en een vracht wiskunde en natuurlijk één voor het voorbereidend beroepsonderwijs (vbo) met praktijkvakken, een beetje engels en anderhalf ons algemene vorming. Wie denkt dat Adelmund hiermee afscheid neemt van de basisvorming, heeft het mis. Want zij houdt de doelen van basisvorming onverkort overeind. `We blijven dus inzetten op een breed en gemeenschappelijk programma', schrijft ze monter, waarmee ze tegelijk de Onderwijsraad met een onmogelijke opdracht opzadelt.

Wat gebeurt met de basisvorming tot 2004? Wat doet Adelmund tegen de teloorgang van de brugklas, tegen het verschrompelen van determinatie, tegen de cognitieve dominantie en de opmars van selectie, tegen het stiekem inplanten van praktijkvakken, tegen het ontduiken van individuele ontheffing, tegen het verlies van de vrije ruimte en het opdrogen van zelfstandig leren? Helemaal niks. Per 1 augustus 2001 wordt alles gelegaliseerd. Door het rode licht rijden wordt ontmoedigd door alles op groen te zetten. Tot 2004 mag de school zelf haar kerndoelen kiezen, mag ze formeel vijf uur anders besteden, wordt basisvorming in vmbo andere koek dan in havo/vwo en krijgt vbo een pseudo-basisvorming van twee jaar waarin nu ook hele leerlinggroepen lastige vakken kunnen laten schieten. Alles kan, alles mag. Gedoogbeleid in het kwadraat. Die geest uit de fles kan de Onderwijsraad er nooit meer in proppen.

Kunnen scholen nu volstrekt hun gang gaan? Nee, zal de staatssecretaris zeggen, want er is nog steeds een grens. Ongeveer driekwart van de tijd moet aan basisvorming besteed worden. Maar als de kerndoelen in de grabbelton liggen, is er natuurlijk geen sprake meer van eenheid in programma. Basisvorming wordt een ratjetoe, een mooi woord voor een lege doos. De staatssecretaris verweert zich tegen die kritiek met een schokkend argument dat leerboeken en examen de basisvorming wel zullen sturen: Wolters-Kluwer als vaandeldrager van de basisvorming en examenprogramma's die in klas één beginnen. Wie dit tien jaar geleden zou hebben gezegd, was bij wijze van spreken de tong uitgerukt. Maar ook nu getuigt het van een schromelijk gebrek aan visie.

Adelmund vlucht wederom voor het stelseldebat. Anders dan haar voorgangers heeft zij de unieke kans om het stelsel eigentijdser te maken. Zij kan een punt zetten achter veertig jaar systeemdenken. Centrale sturing, met regelgeving tot achter de komma werkt niet meer in autonome scholen. Het ontmoedigt zelfs ervaren docenten. Onderwijsbeleid anno 2000 is het uitzetten van hoofdlijnen, natuurlijk wel op basis van visie en duidelijke, verenigbare keuzen. Accentueer de contouren, niet de inhoud. Geef scholen concrete doelen en voorbeeld-curricula mee waarin ruimte voor vaardigheidstraining is gemaakt door minstens de helft van de kerndoelen te schrappen. Laat scholen hun eigen basisvormingsplan maken.

Na zeven jaar is helder dat in een systeem met verschillende schooltypes niet straffeloos gemeenschappelijke en brede vorming kan worden ingeplant. De middenschool was onbespreekbaar, de basisvorming bleek onuitvoerbaar. Met voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs (vmbo) komt de volgende flop in zicht. Mavo en vbo integreren niet en mavo blijft de aanhangwagen van havo/vwo. Als mavo en vbo niet in één huis komen, zal vmbo een nieuwe naam voor vbo worden. Ondertussen verpietert het vbo verder. De vraagt dringt zich op hoeveel er nog mis moet gaan voordat de gedroomde vernieuwingen ruimte krijgen in een herzien stelsel.

Ed Schüssler is oud-procesmanager basisvorming.