Basisverzekering een puzzel

De politieke partijen leggen ieder hun ideeën op tafel over de basisverzekering tegen ziektekosten. Het moet en het kan anders, lijken ze allemaal te vinden. Maar zullen ze het ook eens kunnen worden?

Een voor iedereen verplichte basisverzekering tegen ziektekosten: die kant gaat het op in de nota's die de meeste politieke partijen over een nieuw zorgstelsel hebben gepubliceerd.

Maar daarmee houdt de gelijkenis op. Want niet alleen bedoelen de partijen met die mededeling elk iets anders, ze verschillen ook van mening over de vraag hoe de zorg georganiseerd moet worden.

In de nota's van CDA, D66, VVD en in iets mindere mate in die van GroenLinks wordt veel aandacht besteed aan de noodzaak om het zorgstelsel `om te bouwen' van een systeem waarin niet alleen de hulpverlener centraal staat, maar waarin het ook de centrale overheid is die dan vervolgens bepaalt hoeveel er van de verschillende zorgproducten elk jaar beschikbaar is.

In de nota's van PvdA en ook GroenLinks ligt het accent meer op de toegankelijkheid en op de onderlinge solidariteit: jong versus oud, gezond versus ziek en rijk versus arm. Daar besteden de andere partijen ook aandacht aan, maar waar dat voor PvdA en GroenLinks de uitgangspunten zijn, organiseren zij deze solidariteit meer als een afgeleide van het toekomstige stelsel.

Alle partijen spreken dus over een basisverzekering, maar ze vullen die bijna allemaal anders in. Zo wil de VDD deze beperken tot een basispakket dat minder omvat dan het huidige ziekenfondspakket.

De hulp die nu via de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten wordt geregeld (onder meer zorg in verpleeghuizen en inrichtingen) moet buiten de basisverzekering blijven. Daar staan dan PvdA en GroenLinks tegenover: het huidige ziekenfondspakket moet weer worden aangevuld met de tandheelkundige hulp voor volwassenen. Ook de meeste AWBZ-zorg hoort er onder te vallen. De typische welzijnshulp in de AWBZ (wonen, sommige huishoudelijke hulp) moet óf in een aparte verzekering (PvdA) of bij de gemeente (GroenLinks) worden ondergebracht. Voor D66 en CDA dekt de basisverzekering globaal het huidige zorgpakket van ziekenfonds en AWBZ.

PvdA en GroenLinks zien de uitvoering van het stelsel bij voorkeur in handen van `sociale verzekeraars' die worden toegelaten via een concessiestelsel (PvdA). In feite zien deze partijen de zorg als onderdeel van het sociale stelsel, waarin plaats is voor een stevige hand van de nationale overheid. Door de gezondheidszorg onder het sociale stelsel te brengen, denkt GroenLinks de sector buiten het bereik van de Europese wetgeving te kunnen houden.

De andere partijen zien de verzekeraars (namens hun verzekerden) als `regisseurs' in de zorg. Dit betekent niet alleen dat ze van een behoorlijke omvang moeten zijn (nodig om de `risico's' binnen het bestand aan verzekerden te kunnen spreiden) maar ook dat ze onderling moeten kunnen concurreren om de gunst van de verzekerden. Dan alleen komt ook hún belang bij een zo goed mogelijke hulpverlening tot uiting, luidt de redenering bij D66 en VVD.

Voor CDA, D66 en VVD betekent die concurrentie dat verzekeraars een forse, vaste bijdrage mogen vragen (al kan de verzekerde daaraan morrelen door een deel van de mogelijke kosten voor eigen risico te nemen), voor D66 en VVD aangevuld met een inkomensafhankelijke premie. Door voor de lagere inkomens de nominale premie via bijvoorbeeld de fiscus deels te compenseren, kan worden voorkomen dat deze straks meer voor hun ziektekostenverzekering kwijt zijn dan op dit moment het geval is. PvdA en GroenLinks zien daar helemaal niets in. Ze vrezen dat er, als het economisch wat minder gaat, aan deze fiscale compensatie zal worden gemorreld. Zij gaan daarom niet verder dan hooguit een zeer beperkte nominale premie en vinden dat de hoogte van vrijwel de gehele premie afhankelijk moet zijn van het inkomen en dus eigenlijk via de belasting (GroenLinks) kan worden geïnd.

In de politieke discussie concentreert de aandacht zich tot dusver op het verzekeringsstelsel en dan met name op de berekening van de premie: naar rato van het inkomen, onafhankelijk daarvan of van allebei wat. De problemen in de sector hebben echter meer te maken met de manier waarop de sector is georganiseerd, met de verdeling van bevoegdheden en verantwoordelijkheden en met het probleem hoe het hulpaanbod kan worden afgestemd op de vraag naar zorg.