Van Vlijmen sluit aan in de lange rij Bach-bewerkers

,,Gisteren Bachs Kunst der Fuge. Heerlijk!! Een werk dat tot dusver voor wiskunde werd gehouden, geïnstrumenteerd door een jonge Duitser: diepzinniger muziek is niet geschreven!'' Aldus Alban Berg over het werk van de geniale niet Duitse maar Zwitserse jong gestorven musicoloog Wolfgang Graeser (1906-1928), die al op zijn zeventiende Bachs abstracte meesterwerk had ingekleurd met een orkest van strijkers, trompetten, trombones, hobo`s, fagotten, orgel en klavecimbel. Het werd 26 juni 1927 voor het eerst uitgevoerd onder leiding van de Bach-specialist Karl Straube in Bachs Thomaskirche in Leipzig.

Zaterdag in de Matinee in het Concertgebouw, klonk Bachs verzameling van zeventien fuga's en vier canons zonder instrumentale aanwijzing in een kleinere bezetting voor veertien instrumenten waaraan Jan van Vlijmen negen maanden werkte in de jaren 1999-2000. Al was zijn inkleuring in elk opzicht anders, Van Vlijmen hield zich wel aan Graesers plan.

Over de juiste volgorde van de delen is altijd veel gespeculeerd. Walter Kolneder kwam in 1977 tot liefst 88 afwijkende visies! Graeser eindigde Bachs torso in het koper `hart und erstarrend' afgesloten door het koraal Wenn wir in hoechsten Noethen, gespeeld door de strijkers en het orgel.Van Vlijmen laat zijn zetting na de laatste maatstreep abrupt afbreken, gevolgd door het gesproken ,,Ueber dieser Fuge, wo der Nahmen BACH in Contrasubject angebracht wurde, ist der Verfasser gestorben''.

Onder de talloze uitwerkingen is die van Van Vlijmen zeker een van de opmerkelijkste. De kleuring is donker, conform het magische d-klein zoals dat door Mattheson werd beschreven als iets devoots, rustigs en daarbij ook iets groots. En laten wij daarbij dat `iets' voor een kosmologische fugafantasie van 2023 maten maar achterwege. Het enige dat helder tinkelt, zijn de tokkelaars, mandoline, harp en gitaar met reminiscenties aan het klavecimbel. Voorts klinken houtblazers (altfluit, Engelse hoorn, basklarinet en fagot), koperblazers (trompet en trombone bespeeld met diverse dempers) en een kwintet met ook alweer een opvallend lage bezetting van één viool, twee alten, cello en contrabas.

Elke stem krijgt ten minste twee instrumenten mee. Tutti klinken slechts drie maal. Elk deel heeft een andere kleur en binnen de stemmen zijn ook nog eens de motieven ingekleurd. Dat herinnert sterk aan Weberns analytische instrumentatie van Bachs Ricercare uit Das Musicalische Opfer. Webern wilde ook Die Kunst der Fuge instrumenteren. Voor hem was het een ultiem model, want zó moest je kunnen componeren, maar hij was bang dat dit hem te veel van zijn eigen werk zou afhouden.

In de opbouw kiest Van Vlijmen voor een dramatiserende intensiteit en complexiteit met op weg in Contrapunctus VIII reeds een hoogtepunt, door hem betiteld als `dramma in musica forte alla marcia'. Die opbouw werkt doeltreffend, zeker in de uitvoering zaterdag met de violist Rainer Kussmaul, dirigerend met de vioolstok en samen met altiste Nobuko Imai toegevoegd aan leden van het Concertgebouworkest.

Het begin vond ik minder overtuigend, vooral de trompet kon zijn draai niet vinden. Naar het slot toe was de spanning te snijden met als bekroning Contrapunctus XIX in een delicaat mezzopiano non troppo lento. Het grote Bach-portret tegen de orgelwand knikte goedkeurend, Eerder blikte het bestraffend neer op hen die na Contrapunctus XI voortijdig de zaal verlieten.

Concert: leden Koninklijk Concertgebouworkest. Gehoord: 11/11 Concertgebouw Amsterdam. Radio 4: 15/11 20.02 uur.

    • Ernst Vermeulen