Lijdzaamheid als kunst

Niets is zo dodelijk voor de wereldrevolutie als gewenning. Marx dacht dat godsdienst de opium was, maar gewenning werkt beter. Het is een drug waar je niet eens naar een coffeeshop voor hoeft. Je hoeft niet aan zo'n getatoeerde patser te vragen om een joint – een voorgedraaide, hoor je jezelf verlegen zeggen, terwijl de ogen van de vaste klanten priemen in je rug.

Het gebeurt ook als je in Delhi een slijter binnenloopt. Nou slijter, het is een klein pakhuis vol dozen van karton. Op fluistertoon noem je je merk, waarna de man achter de kassa zo indiscreet als het kan naar een jongen roept, die een doos openscheurt en je de fles overhandigt, zomaar zichtbaar voor iedereen. Die lui komen allemaal voor hetzelfde, weet ik, maar ze geven je toch de blik die hoort bij een stad waar nog maar kortgeleden de drooglegging gold.

Voor gewenning hoef je je deur niet uit. Je ademt in en je ademt uit en je staart door het autoraam. Je ziet een magere oude man komen aanstrompelen en je geeft hem een muntje. De eerste keer heb je nog iets van oogcontact. Hij raakt met het muntje zijn voorhoofd en mompelt een zegen, of een vloek, afhankelijk van de waarde van het muntje.

De volgende dag zie je hem weer. Op dezelfde hoek, waar het verkeerslicht zolang op rood blijft staan, dat de bedelaars de gelegenheid hebben hun zaken rustig af te handelen. Ha, hij heeft vandaag zijn lendendoek omhoog gerold, om de dunheid van zijn benen te laten zien. Slimmerik, vooruit, een muntje.

De dag daarop zie je hem zitten langs de kant. Meneer staat niet op, hij wenkt alleen naar een klein meisje van een jaar of tien. Ze tikt op het raam, ze is vuil maar verder gezond en ze heeft ondeugende oogjes. Je draait het raampje open en overhandigt een muntje, voor die ondeugende ogen.

Op de morgen waarop je je hebt voorgenomen het niet meer te doen heeft ze een nieuwe truc. Ze draagt een baby op de heup. Moet ze ergens hebben geleend, of gehuurd, want alles kost geld tegenwoordig. Ze lacht guitig terwijl ze het babyhandje gebruikt om op de ruit te slaan. Okee, de laatste keer.

Ze voelt het aan, want ze komt niet meer. En ook de oude man blijft zitten. Maar wat doet ze met de baby? Ze drukt zijn blote billetje tegen de kooi van een kippenwagen. De kippen zijn op weg naar de slacht, maar willen nog even pikken in het kontje. Baby krijst, meisje lacht. Je doet het raam open en roept dat ze ermee moet ophouden. Waarna ze met gestrekte arm naar je toekomt voor haar muntje.

Ik bekijk het als een antropoloog, zakelijk, plichtmatig, zonder noemenswaardig gevoel. Ik heb het ook bij het zien van vrouwelijke bouwvakkers die zware manden vol stenen naar boven dragen, op gammele ladders van bamboe. Of bij berijders van fietsriksja's die staand op de pedalen drie weldoorvoede klanten de heuvel op trappen. Snotterende schoenpoetsertjes, in sloten dartelende kleuters, ik adem in en ik adem uit.

Hoe is het gekomen? Twintig jaar geleden, toen ik voor het eerst naar India kwam, stroomde de revolutie door mijn aderen. Ik was tweeëntwintig en misschien wel een veel beter mens. Vol afkeer en boosheid aanschouwde ik het onrecht. Ik had slapeloze nachten en dagen geen eetlust. Ik trad fel in debat met iedereen die het aandurfde en hamerde op de noodzaak van verandering, onteigening, herverdeling.

Met de weken nam de felheid af. De eetlust kwam terug, 's nachts kon ik slapen, de gewenning inhaleren.

Nu moet ik aan andere dingen wennen. Dat water uit de kraan niet vanzelfsprekend is bijvoorbeeld. Je hebt een elektrische pomp nodig om tussen zes en zeven 's ochtends een groot vat op het dak te vullen. Na zeven komt er niets meer uit de leiding, tot drie uur 's middags.

Die pomp werkt geweldig, als er elektriciteit is. Als die er eens niet is kun je nog drie keer de wc doorspoelen, heb ik uitgerekend. Maar het went.

Zoals je ook went aan het uitvallen van het televisiebeeld en de telefoonverbinding. Aan het uitblijven van de post, het niet nakomen van afspraken en het voordringen bij het loket.

Als je eenmaal went aan de gedachte dat niets vanzelfsprekend is, krijg je een grote rust over je heen.

Ook het hebben van onderdak, van voedsel, van scholing en medicijnen is niet vanzelfsprekend. Niemand verbaast zich daarover. Als je ze hebt, is het een godsgeschenk. Als je ze niet hebt, dan word je in het volgende leven meer geluk toegewenst.

Zou het daardoor komen dat ze in India niet zo opstandig en verongelijkt zijn als de armen in andere landen? Ze geven niemand de schuld, niet eens zichzelf. Het is het lot, en niet de eigen verantwoordelijkheid om iets van het leven te maken. Het leven kan niet eens worden gemaakt, het is al af, nog voor je geboren bent.

Lijdzaamheid is een kunst, maar je kunt het leren. Als niemand zich opwindt behalve jij, voel je je al gauw een opvliegende dwaas. Als niemand ervan opkijkt als de stroom uitvalt blijf je ook maar zitten in het donker. Of langs de kant van de weg, in het geval van de oude man met de dunne benen. Hij heeft net zo weinig woede als ik compassie.

Twintig jaar geleden zou ik hebben gewild dat hij met mij mee liep in de lange mars naar de omwenteling. Ik zou stroom en water voor hem hebben geëist, een tv- en telefoontoestel, post en afspraken en een loket met een nette rij. Ik zou hem uit zijn luie, apathische rust hebben geschud, ik zou zelfs tegen hem hebben gescholden omdat hij die kleine meid met ondeugende ogen in dienst heeft die het werk voor hem doet, de uitbuiter.

Nu laat ik hem zitten. Ik adem in en ik adem uit.

ramdas@nrc.nl