Klimaatconferentie

DRUILERIG DEN HAAG is vanaf vandaag twee weken lang het middelpunt van het wereldklimaat. Zo'n tienduizend deelnemers, deskundigen, bewindspersonen en activisten uit de hele wereld komen bijeen voor de zesde klimaatconferentie van de Verenigde Naties met Jan Pronk, de Nederlandse minister van VROM, als gastheer en voorzitter. Er zijn demonstraties voor een beter milieu en een betere wereld gepland. Na Seattle (eind vorig jaar) en Praag (deze zomer) kan Den Haag het strijdperk voor de derde uitbarsting van protest tegen de globalisering worden.

De agenda van grootschalige internationale conferenties is technisch en laat zich niet eenvoudig in slogans op spandoeken samenvatten. De vooruitgang bij de beheersing van de uitstoot van schadelijke stoffen sinds `Kyoto', waar in 1997 de vorige klimaatconferentie gehouden werd, zal worden besproken. Verder zullen voorstellen ter tafel komen om de handel in emissierechten, waarbij landen het recht om bepaalde hoeveelheden kooldioxide te mogen uitstoten onderling kunnen verhandelen, uit te breiden. Er zullen zich tegenstellingen voordoen, tussen radicale milieu-activisten en gematigde beleidsmakers, tussen ontwikkelingslanden en de ontwikkelde landen, tussen arme landen onderling en rijke landen onderling. Over en weer zullen de afgevaardigden elkaar verwijten maken over verspilling, (onder)ontwikkeling en milieuvernietiging. Het drama van eilandjes die door een stijgende zeespiegel dreigen te verdwijnen, wetenschappelijk onderzoek naar klimaatveranderingen en beloftes van technologische doorbraken zullen de aandacht trekken. Over dit alles ligt de ongewisheid wie de volgende Amerikaanse president zal worden. Radicalen zullen beweren dat het lood om oud ijzer is wie wint en anderen zullen hopen op een overwinning van Gore omdat hij zich als gematigde voorstander van milieumaatregelen heeft uitgesproken.

KLIMAATVERANDERINGEN zijn in de geschiedenis van de aarde een gegeven. Ze hebben te maken met geologische verschuivingen op de lange termijn. De kortetermijnvraag waar het in Den Haag om gaat is het verband tussen de uitstoot van fossiele brandstoffen en stijgende temperaturen. De wetenschappelijke discussie hierover neigt naar overeenstemming, maar daarmee is de politieke slag niet gewonnen. Nederland, bijvoorbeeld, preekt al jaren een radicaal beleid van beperking van de CO2-uitstoot, maar schuift zijn doelstellingen in de praktijk steeds vooruit richting toekomst. Anderzijds bleek bij de ontmanteling van de inefficiënte productiewijze in de ex-communistische landen van Oost-Europa een enorme milieuwinst geboekt te kunnen worden.

Ontwikkelingslanden kampen met het dubbele probleem van goedkoop beschikbare brandstof in de vorm van hout en steenkool en onvoldoende geld voor investeringen in dure milieutechnologieën. In beperkte mate kan de handel in emissierechten hier uitkomst bieden: industrielanden kopen emissierechten van ontwikkelingslanden die hiervoor geld ontvangen om bossen níet te kappen of om herbebossing te financieren. De Verenigde Staten zijn hiervan voorstander, deels omdat het een marktgerichte aanpak is, deels omdat de plicht om schoner te produceren en energiezuiniger te leven wordt geëxporteerd. Overigens bestaat tegen uitbreiding van de emissiehandel bij sommige ontwikkelingslanden – Brazilië en Oost-Aziatische landen – weerstand omdat ze vinden dat dergelijke afspraken leiden tot buitenlandse bemoeienis met het binnenlandse beleid ten aanzien van ontbossing.

Achter deze technische kwesties gaat een teleologische vraag schuil. In hoeverre kan van mensen geëist worden dat ze bereid zijn vrijwillig af te zien van de verworvenheden van wat bij gebrek aan een beter woord de vooruitgang wordt genoemd? Hoe vergroot de nog steeds groeiende wereldbevolking de druk op het milieu en hoe beïnvloedt dit het klimaat? Kunnen technologische doorbraken in energie-opwekking en energieverbruik oplossingen brengen? Bestaat er wel zo iets als duurzame ontwikkeling, waarbij welvaartsgroei en behoud van de natuurlijke omgeving blijvend samengaan?

NOCH DE DEMONSTRANTEN noch de deelnemers zullen in twee weken Den Haag hierop eensluidende antwoorden geven. Maar het is belangrijk dat ontwikkelingslanden en industrielanden het ten minste eens worden over een gemeenschappelijk broeikasbeleid.