Je weet maar nooit

Soms kom je een wildvreemd iemand tegen waarvan je het gevoel hebt dat je hem al heel lang kent. Alles komt je bekend voor, zijn oogopslag, zijn kleren, zijn hele manier van doen.

In Rotterdam in de trein op weg naar Zuid-Frankrijk gaat hij tegenover me zitten. Alles is groot aan hem. Wat een handen. Moet je die oren zien. De grote blauwe ogen. Lieve grote kinderogen vol verbazing. Hij zit in de trein alsof het zijn allereerste keer is. Een grote jongen op zijn eerste schoolreisje. Als de trein vertrekt kijkt hij naar de voorbij vliedende persoon. Bijna had hij zijn hand opgestoken om naar zijn moedertje te zwaaien. Hij is om een praatje verlegen. Hij zit vol verhaal, maar hij durft nog niet echt. Hij kijkt me aan en ziet dat hij me kan vertrouwen. Nu weet ik ook op wie hij lijkt, op Willem, die kwam ook uit Rotterdam. We zaten samen op de Kunstschool in Duitsland. De oorlog was nog maar amper vijftien jaar voorbij. Nu meer dan een halve eeuw. Willem. Net zo groot als mijn buurman. Dezelfde handen. Amateur-bokser, platte neus en bloemkooloren. Doodgoed, doodeerlijk en oersterk.

Mei. Om precies te zijn de 14de. We lopen over de Roerbrug. Snel stromend water onder ons, het is immers voorjaar. We komen een olijke Duitse medestudent tegen. Die hield wel van een grapje. Hij stak zijn hand op: Sieg Heil! Ik lach zuur. Kan het wat minder? Bij Willem kwam de heilwens heel anders aan. Huis weg. Straat weg. Moeder dood. Vriendjes dood. Rotterdam 14 mei. Vijftien jaar geleden. Hij grijpt de klootzak vast. Heel even maar, maar net lang genoeg om hem over de brugleuning te tillen en hem boven het kolkende water te laten vallen. Zie zo, opgeruimd staat netjes.

,,Ja, ja, daar kijk je van op, zo doen we dat in Rotterdam. Hopelijk heeft hij geen zwemdiploma.''

Hij wil gewoon doorlopen. Dat kan natuurlijk niet. De rivier maakt een stuk verderop een bocht. Daar zijn eilandjes. Ik ren naar beneden. Ik hoefde hem niet te redden. Willem was me achterna gekomen, schoenen uit, hij plonst het water in en sleept de jongen op het droge. Hij had het met de drenkeling niet zo kwaad bedoeld. Maar ja, soms kon je hand wel eens uitschieten. Hij wil hem zijn colbert wel lenen, dan ziet hij er op het eerste gezicht niet zo nat uit...

Voor Brussel weet ik alles van de Rotterdammer tegenover me. Automonteur. Pas getrouwd. Vaste baan. Auto's zijn alles voor hem. En nu in de trein. Helemaal naar Monte Carlo, nee, niet om te gaan racen; hij gaat er een Jaguar van een klant halen. Het is een kwestie van heen en meteen terug. De klant is komen vliegen en heeft zijn auto nodig.

Vol trots laat hij de Jaguar-autosleutels zien. Zijn peperdure auto aan de eerste de beste toevertrouwen, dat doet zo'n klant heus niet. Hij kan met die meneer lezen en schrijven. Het gaat om het vertrouwen. Hij verheugt zich al op de terugweg. Iedereen denken dat de wagen van hem is. Alles is besproken. Hij slaapt nota bene in hetzelfde hotel als zijn meneer. Die is heus niet gierig. Hij heeft royaal zakgeld meegekregen. Maar op tijd naar huis. De volgende week wordt hij vader. Zijn vrouw was al in de zesde maand toen ze gingen trouwen. Zó'n buik. Daar let niemand meer op. Een moordwijfie. Dat is nog eens een lot uit de loterij, om het zo maar eens te zeggen.

Veel gereisd heeft hij niet. Ze gaan altijd naar Hoek van Holland. Hij is nog nooit in Frankrijk geweest. Hij spreekt geen woord Frans. Als hij straks in Monte Carlo zit gaat hij een gokje wagen. Hij heeft altijd geluk. Niet in het groot. Staatsloterij? Hij speelt al jaren mee, nog nooit wat gewonnen. Geen lotto of toto. Wel heeft hij voor een vriend een keer een briefje ingevuld. Vijftienduizend gulden. Hij kreeg er honderdvijftig van. Maar neem zijn buurtcafé tijdens belangrijke voetbalwedstrijden, daar wordt bij het leven gepoold. Twee op de drie keer dat hij wint. Als jongen van twaalf won hij een monopoliespel, daar begon het mee. Tombola? Hij komt altijd met wat naar huis.

Hij gaat natuurlijk niet echt gokken in Monte Carlo. Hij gaat er wel een kijkje nemen. Even binnenwippen. Hij heeft speciaal een stropdas meegenomen. Hij moet met een verhaal komen als hij terug is in de garage.

En wie weet? Precies. Je weet maar nooit... Stel je voor dat hij met een smak geld naar huis komt. Er zijn mensen die met honderd gulden de klapper van hun leven maken. Hij koopt meteen een huis in Hoek van Holland, dat is ook gezonder voor de kleine. Hij blijft in de garage werken. Je moet het niet hoog in je bol krijgen als je een klapper hebt gemaakt. Er nooit over praten. Dan staan ze in drommen voor je deur. Hij zet alles op de bank. Die kleine krijgt een flinke spaarrekening voor later. Hij ziet het gezicht van zijn vrouw al voor zich. Eerst nog niks vertellen. Niet opbellen. Nee, thuis zo langs je neus weg met het grote nieuws komen. Een paar flappen op tafel gooien. Hij houdt van het leven. Voor hem geen chagrijn. Je leeft maar eens. O, dat gezicht van zijn vrouw...

In Marseille bij het krieken van de dag sluip ik de slaapwagon uit. Ik moet overstappen.

Een week later stap ik op hetzelfde station weer op de trein terug naar huis. Verdraaid, daar zit mijn Rotterdammer, zou die niet...

In het casino was het winnen en nog eens winnen tot de klad er in kwam. Hij had geen cent meer. En die autosleutels dan? Daar hoort toch een Jaguar aan te zitten? Auto vergokt. Geen geld meer voor het hotel. Geen geld voor de telefoon. De ambassade heeft hem geholpen met de terugreis. Hij kon heel even bellen. Hij is in elk geval vader. Wat kan je dan eigenlijk nog gebeuren? Hij vergat in de gauwigheid te vragen of het een jongen of en meisje was. Zijn vrouw zei alleen dat alles er aan zat. Zou dat misschien betekenen?