GEEN SCHAATSMIJL ZONDER KUCHJE

Bij de NK afstanden in Den Haag bleek opnieuw dat in het schaatsen de concurrentie nergens zo hevig is als op de 1.500 meter, de afstand waar sprinters en allrounders elkaar treffen. Een dwarsdoorsnede van de schaatsmijl.

Zondagmiddag kwart voor drie. Ter afsluiting van de NK afstanden rijden Jakko Jan Leeuwangh en Annamarie Thomas temporondjes op de inrijbaan van De Uithof. Hij voorop, zij achter dat grote lijf. Ploeggenoten bij SpaarSelect, dat zie je aan de blauw-oranje pakken die ze dragen, met nog een overeenkomst: hier glijden 's werelds snelste schaatsers op de 1.500 meter over het ijs. Thomas is wereldrecordhoudster op de schaatsmijl sinds ze op de Olympic Oval in Calgary in maart vorig jaar 1.55,50 liet noteren, Leeuwangh verraste in januari van dit jaar vriend en vijand met een tijd van 1.45,56 op datzelfde wonderijs.

De wereldrecordhouder – ,,Die race zit in m'n hoofd'', zegt Leeuwangh, ,,die heb ik opgeslagen''. Een video heeft de sprinter uit de ploeg van Peter Mueller niet nodig. Hij draait de film van de snelste 1.500 meter ooit desgewenst af in z'n hoofd. ,,In elk geval flitsen uit die wedstrijd. Ik reed tegen Steve Elm en had in de eerste ronde de buitenbocht. Ik ging vol weg en dacht, bij de kruising moet ik vlak achter hem zitten, maar op dat moment was ik hem al voorbij. De eerste volle ronde reed ik op ritme; de anderhalve ronde daarna meer op druk. De laatste bocht ging ik er vol in. Ik reed alleen, hoefde niet meer op de tegenstander te letten. Ik hoorde Peter nog `1.46' roepen; ik had nog nooit onder de 1.48 gereden.''

Voor de 1.000-meterspecialisten is de schaatsmijl een vanzelfsprekend jachtterrein, vindt Leeuwangh. ,,Met die 1.000-meters kweek je als het ware een overcapaciteit die je op de 1.500 meter van pas komt: zelfs als je daar gas terugneemt, schaats je nog een goede tijd.''

Als gevolg van rugproblemen kwam Leeuwangh gisteren in Den Haag op de 1.500 meter niet verder dan de achtste plaats, toch net goed genoeg om volgend weekeinde te mogen starten op de 1.500 meter bij de wereldbekerwedstrijden in Berlijn. Gerenommeerde milers als Jan Bos, Rintje Ritsma en Ids Postma, de regerend wereldkampioen op die afstand, slaagden daar niet in.

De olympisch kampioene – ,,De 1.500 meter is voor mij de mooiste afstand, omdat het daar op snelheid én duurvermogen aankomt'', zegt drievoudig olympisch kampioene Yvonne van Gennip, zaterdag bij de NK afstanden aanwezig om het eerste exemplaar van het `literair tijdschrift voor schaatsers en lezers' Glad IJs in ontvangst te nemen. ,,En op geen afstand kom je zoveel zuurstof te kort, vandaar ook dat beroemde kuchje na afloop.'' In haar gouden olympische race op de 1.500 meter in Calgary, in 1988, klopte alles. ,,Op die afstand vlieg je er in. Maar zien waar het schip strand. Deed ik toen ook, gaan met die banaan.''

De wetenschapper – Met professionele nieuwsgierigheid volgde bewegingswetenschapper Jos de Koning, verbonden aan de Vrije Universiteit in Amsterdam, de NK. Zijn medewerkers legden alle races op film vast om later te evalueren hoe tussen start en finish techniek en houding veranderen.

,,De 1.500 is fysiologisch gezien een hele mooie afstand'', zegt De Koning, ,,omdat je daar beide energiesystemen, aëroob en anaëroob, maximaal nodig hebt. Na ongeveer 700 meter slaat de verzuring toe; als je nog maar net op de helft bent, begint het pijn te doen. Je moet je lijf dan dwingen technisch goed te blijven schaatsen, nog twee ronden lang. Netjes blijven schaatsen als je lichaam eigenlijk niet meer wil; daar ligt de sleutel van succes op de 1.500 meter.'' Als hij zelf op het ijs staat, beleeft De Koning (drie keer deelnemer Elfstedentocht) ook het meeste plezier aan de schaatsmijl. ,,Na een 500 meter heb ik altijd het gevoel dat ik harder had gekund. Na de vijf kilometer kom ik dood aan. Bij de 1.500 meter ook wel, maar daar heb ik toch nog het gevoel dat ik alles onder controle heb. Om naar te kijken heeft de 1.500 meter ook alles, veel drama. Na 700 meter vraag je je af hoe de schaatser het oplost. Blijft hij technisch rijden en kan hij z'n snelheid vasthouden of stort hij als een kaartenhuis in elkaar?''

De ploegarts – ,,De verzuring is op geen afstand zo groot als op de 1.500 meter'', zegt SpaarSelect-ploegarts Berend Nikkels. ,,In het wielrennen, vooral bij het tijdrijden en het baanwielrennen, is er enkele jaren geleden geëxperimenteerd met het uitstellen van de verzuring door bi-carbonaat intraveneus in te brengen, vlak voor de wedstrijd. Maar dat gaf zoveel bijwerkingen, dat ze daar weer snel van af zijn gestapt. Het zorgde vooral voor maagproblemen; ze moesten veel boeren onder het rijden.''

De coach – ,,De 1.500 meter is het optimum van snelheid en vermogen'', zegt DSB-coach Leen Pfrommer. ,,Je moet op snelheid trainen en aan een goeie dosis uithoudingsvermogen werken. Goed in het zuur kunnen rijden – want als je zere benen krijgt luisteren je spieren niet meer – en technisch geen fouten maken. Het is altijd weer spannend om te zien hoe een schaatser de laatste ronde doorkomt. De mooiste 1.500 die ik heb gezien? De spannendste en de meest tot de verbeelding sprekende was die bij de Spelen in Albertville, in 1992.'' Daar dacht Leo Visser goud te hebben gewonnen, maar reden de Noren Johann Olav Koss en Adne S⊘ndral een fractie van een seconde sneller. Eén, twee en drie finishten binnen negen honderdste! Bij de laatste Winterspelen viel de tweestrijd op de 1.500 meter tussen Postma en S⊘ndral uit in het voordeel van de Noor. Pfrommer: ,,S⊘ndral heeft meer kracht, als het om stijl en techniek gaat wint Ids.''

Gisteren hield Postma zich aan het recept van coach Pfrommer heel hard openen, in de 24 seconden, en dan drie ronden rijden met een verval van niet meer dan een seconde per ronde maar acht collega's waren sneller.

De legende – ,,De 1.500 meter beschouw ik als MIJN afstand'', zegt Kees Verkerk in het boek Heya Keessie (1969). ,,De mijl is voor mij. Dat is mijn beste afstand. Daar mag, als het er werkelijk om gaat, niemand aan komen.'' In 1964 won Verkerk in Innsbruck olympisch zilver op de 1.500 meter (2.10,6), vier jaar later veroverde hij op die afstand goud op de Spelen, in 2.03,4.

Verkerk: ,,Het was in de winter van 1960, dat Wim van der Voort (in Oslo 1952 Nederlands eerste olympische zilveren medaille op de 1.500 meter, in 2.20,6, red.) tegen een stel aankomende knapen zei: `Jongens, wat gebruiken jullie die rechterhand toch slecht op de 1.500. Jullie doen er niets mee. Niets nuttigs in ieder geval.' Daarna heb ik me op zijn advies aangeleerd de rechterarm zo ver mogelijk door te zwaaien, met de hand naar voren. Als je het goed doet en je zet hem achter vrij hoog in, trek je als het ware snelheid mee.

,,Ik heb de juiste combinatie gevonden tussen slagritme en armbeweging. En het gaat volgens mij om dié coördinatie. Natuurlijk komt er meer aan te pas. Conditie, uithoudingsvermogen, een goede bochtentechniek en snelheid van start tot finish. Op een 1.500 meter moet je snel vertrekken, hard doorgaan en dan maar kijken hoe ver je komt. Het kan natuurlijk ook verkeerd uitpakken. Want de 1.500 meter is een afstand waarop je in elkaar kan knallen, zodat je struikelend en snakkend naar adem over de finish tolt.''

De winnaar – ,,Aanvankelijk was ik in het begin op de 1.500 meter te langzaam en hield ik aan het eind te veel over'', zegt Gianni Romme over zijn eerste schreden op de schaatsmijl. ,,Maar vooral dankzij sprinters als Erben (Wennemars, red.) en Jakko Jan kreeg ik de 1.500 steeds beter onder de knie.'' Gisteren won de krachtpatser uit de SpaarSelect-ploeg zijn eerste Nederlandse titel op die afstand. Nu Romme als kampioen van de lange afstanden ook excelleert op de 1.500 meter, dreigen de meerkampen een nog gemakkelijker prooi te worden voor de Brabander. Hij lacht veelbetekenend. ,,Ja, de optelsom is gauw gemaakt.'' Aan het strijdperk waar sprinters en allrounders elkaar treffen, wil Romme niet meer dan drie woorden vuilmaken. ,,Een prachtige afstand.''