Een milde schrijver

Afgelopen zaterdag overleed in zijn woonplaats Amsterdam Hugo Pos, oud-rechter, schrijver, dichter, criticus en sinds het verscheiden van Albert Helman vier jaar geleden, de nestor van de Surinaamse letteren. Hij werd net geen 88 jaar oud. Het talmen van de tijd luidt de titel van zijn onlangs verschenen kwatrijnenbundel; welnu, dat talmen heeft twee jaar geduurd. In 1998 was op verzoek van Pos elke vorm van medicatie stopgezet nadat bij hem een kwaadaardige tumor achter de maagstreek was ontdekt.

In 1985, op 72-jarige leeftijd, had Pos zijn debuut als schrijver gemaakt met de verhalenbundel Het doosje van Toeti die direct de toon zette voor zijn tien prozaboeken: een terugblik op een leven waaraan veel voorbijtrok en waarvan Suriname, Nederland en het Verre Oosten de drie geografische coördinaten waren. Pos schreef met een inlevend vermogen dat de dingen in een mild daglicht stelt. Niet langer was het wetboek van strafrecht de maatstaf der dingen, maar het innerlijk rechtvaardigheidsgevoel dat zich niet altijd in wetten en decreten laat vangen.

Pos heeft zijn leven met telkens andere invalshoeken en details verwoord – in interviewvorm, in journalistieke stukken en reisreportages, in het autobiografische relaas In triplo (waarvoor hij in 1995 de E.du Perron-prijs kreeg), en in verhalen. Pos schreef daar zelf over: ,,Ik lees geen boeken meer, ik verzin ze. Dat wil zeggen ik verzin een plot. En die plot vul ik op met mensen die ik eens heb ontmoet. Mensen te scheppen uit het niets, die helse arbeid – het bijvoeglijk naamwoord zegt het al – laat ik aan God over. Ik kleed een stuk of wat etalagepoppen aan die dan op bedrieglijke wijze even tot leven komen.''

Bijna altijd draait het bij Pos om de afstand in tijd tussen twee gebeurtenissen. Als in een detective worden het verleden en de beweegredenen van mensen om ogenschijnlijk vreemde dingen te doen gereconstrueerd.

Hugo Pos werd op 28 november 1913 geboren in Paramaribo. Zijn vader was voorzitter van de Joodse Kerkeraad, maar hij kreeg een liberale opvoeding. Op zijn veertiende ging hij naar Nederland, hij volgde het gymnasium en studeerde rechten in Leiden. Bij de capitulatie van Nederland in 1940 vluchtte hij via Finland, Rusland en Japan naar Canada en uiteindelijk naar Suriname. Na de oorlog werd Pos in Tokio en Yokohama gestationeerd om er de minor war crimes te berechten. Via Nederland keerde hij terug naar zijn geboorteland, waar hij carrière maakte in de rechterlijke macht.

In 1964 verruilde hij Suriname opnieuw voor Nederland. Tot 1974 was hij verbonden aan de Amsterdamse rechtbank, vervolgens aan het gerechtshof in Den Haag. Na zijn pensionering was Pos onder meer actief in het bestuur van het Landelijk Bureau Racismebestrijding en in de Beroepscommissie van het Fonds voor de Letteren. Bij de decembermoorden van 1982 kwamen zijn oud-studenten Hoost en Riedewald om. Het motiveerde Pos om voorzitter te worden van de Stichting voor hulp aan de nabestaanden van slachtoffers van de decembermoorden. In zijn toneelstuk De tranen van Den Uyl verwerkte Pos onder meer een pleidooi van advocaat Harold Riedewald.

Voor Het Parool schreef hij over Surinaamse en Antilliaanse literatuur, voor Trouw over literatuur uit Japan en India. Als criticus was Pos eerst en vooral iemand die op de tam-tam sloeg voor werk dat bij het Nederlandse publiek niet bekend was, een scherprechter was hij niet. ,,Jouw kritieken lees ik nooit,'' zei zijn vriend Karel van het Reve tegen hem, ,,want je schrijft toch alleen maar waarderend.'' Vanuit die instelling stelde hij een fraai Suriname-nummer van het tijdschrift Tirade samen.

In de `geleende tijd' van zijn laatste twee levensjaren ontplooide Pos nog een uitzonderlijke productie. Er verschenen een verhalenbundel, een bundel kwatrijnen en verschillende journalistieke stukken; een collectie kwatrijnen wacht nog op uitgave. Het waren voor hem de bewijzen dat hij geestelijk niet achteruit ging. Met zijn scherpe interventies gaf hij in gesprekken de indruk dat jíj de ouwe sufferd was die aan aderverkalking begon te lijden. Over ziekte wilde hij niet praten: de levensgenieter had de dood knarsetandend maar wel volledig geaccepteerd, daar hoefde geen woord aan vuil te worden gemaakt.

    • Michiel van Kempen