De gevestigde orde in de kunst is niet altijd de beste

Elke vier jaar wordt de `toestand in de kunst' tegen het licht gehouden. Afhankelijk van de uitkomst worden subsidies toegekend, waarna de discussie losbarst want zelden is iedereen tevreden. Maar het alternatief is stilstand, en dat is slecht voor het culturele leven, vindt Rick van der Ploeg.

Vandaag heeft het politieke debat plaats over de vraag hoe de cultuursubsidies de komende vier jaar verdeeld moeten worden. Het is de slotfase van een proces waarin de uitgangspunten en doelen van het cultuurbeleid in soms indringende debatten herijkt zijn. Het is begrijpelijk dat in die slotfase iedereen er met alle middelen nog uit probeert te halen wat er in zit.

Maar temidden van alle opwinding die is ontstaan, is het goed alles in de juiste verhoudingen te blijven zien. De bezwaren van sommigen tegen dit kunstenplan spitsen zich toe op vier stellingen: er is te weinig geld; ik verschuil me achter een advies dat eigenlijk niet deugt; gerenommeerde gezelschappen moeten bloeden voor onduidelijke projecten van jongeren en allochtonen; en deze cultuurnota leidt tot grote versnippering van het aanbod.

Allereerst het geld. Vrijwel alle sectoren gaan er op vooruit, vaak substantieel. Voor de kunsten is 23 procent meer geld beschikbaar, voor het erfgoed 18 procent. Eenmalige injecties, zoals voor het Rijksmuseum of de monumentenzorg, niet meegerekend. Het staat iedereen vrij meer geld te willen, maar het gaat wat ver te beweren dat in deze cultuurnota schraalhans keukenmeester is.

Bij het verdelen van de subsidies speelt het kwaliteitsoordeel van professionals een doorslaggevende rol. Ik ken geen andere gesubsidieerde sector waar zo'n directe relatie wordt gelegd tussen kwaliteit en subsidie. Dat maakt het systeem uniek, ook internationaal.

Ik heb vooraf gezegd dat ik de politieke verantwoordelijkheid wil nemen voor de keuzen die de professionals zelf maken. Mits rekening wordt gehouden met de prioriteiten en uitgangspunten, en mits het advies zorgvuldig tot stand is gekomen en deugdelijk gemotiveerd. Een politicus die zich vooraf committeert aan een advies dat hij nog niet kent, kan bezwaarlijk lafheid worden verweten. Ik verschuil me niet achter het advies, ik ben daar juist – nu ik het vrijwel volledig heb overgenomen – op aanspreekbaar. Ik heb dat gedaan om volledig recht te kunnen doen aan het kwaliteitsoordeel en de procedure transparant te houden.

De onverbiddelijkheid van de kwaliteitsoordelen heeft iets hardvochtigs. Dat stelt des te hogere eisen aan de werkwijze van de raad. Ik heb daarom voorafgaand aan de procedure de samenstelling van de commissies ter discussie gesteld, voor de benoeming van raadsleden een open inschrijving gehouden, strikte protocollen gevraagd ingeval een raadslid belanghebbend is, extra geld aan de raad gegeven, en de beoordelingscriteria expliciet gemaakt. Toen het advies werd uitgebracht, heb ik het aan alle instellingen voor commentaar op onjuistheden gestuurd. Dat commentaar heb ik voorgelegd aan de raad en dat heeft in een enkel geval tot een ander advies geleid. Ik heb ook dossieronderzoek bij de raad laten doen. Het is niet uitgesloten dat toch ergens fouten zijn gemaakt. Dan zijn er de bezwaarschriftencommissie en de bestuursrechter die de zorgvuldigheid toetsen.

Van meet af aan heb ik het thema van de doorstroming geagendeerd, om meer ruimte te scheppen voor culturele verscheidenheid, en omdat met name het theaterbestel dreigde dicht te slibben. De sector heeft daarover zelf met het pamflet-Rottenberg aan de bel getrokken.

Maar ook om nog een andere reden. Het systeem van de cultuurnota heeft de neiging het bestaande te bevestigen. Dat systeem gaat ervan uit dat iedere aanvrager gelijke kansen heeft op toetreding, ongeacht of hij al gesubsidieerd wordt of niet. De praktijk wijst anders uit. Want de drempel om het subsidie aan een instelling te beëindigen, is nu eenmaal hoger dan om een subsidie aan een nieuwe instelling te onthouden. Ik heb me daarom niet opgeworpen voor een voorkeursbehandeling voor nieuwkomers, maar voor een gelijke behandeling.

Nu zijn er – Van der Zwan voorop – die beweren dat al die nieuwkomers eigenlijk niks voorstellen, en er alleen maar ingekomen zijn omdat ze jong of allochtoon zijn. Dat is echt onzin. Kwaliteit is en blijft het leidende subsidiecriterium, zo staat in de uitgangspuntennota te lezen. En voorzover dat in relatie tot de andere criteria nog tot misverstanden kon leiden, heeft het debat in de Kamer daar volstrekte helderheid in gebracht. De overheid subsidieert geen gezelschappen enkel en alleen omdat ze veel publiek trekken, of omdat ze veel doen met jongeren en allochtonen, of omdat ze uit vrouwen bestaan. De overheid subsidieert gezelschappen omdat ze kwalitatief interessant zijn. Maar als er meer kwaliteit dan geld is, spelen ook andere overwegingen een rol: hoe uniek is het gezelschap, trekt het veel publiek, richt het zich op groepen die ondervertegenwoordigd zijn. Juist om die discussie te objectiveren, heb ik de aanvullende criteria geformuleerd.

Op de nogal vooringenomen veronderstelling dat de nieuwkomers niks voorstellen, bouwen critici als Van der Zwan een heel betoog: om ze er toch in te laten, heb ik het kwaliteitscriterium uitgehold en andere criteria geformuleerd waarop die nieuwkomers wel hoog zouden scoren. Maar wie het eerste knoopsgat mist, krijgt het dichtknopen niet meer voor elkaar. Terwijl hij het nieuwe aanbod in een enkele zin wegschrijft, haalt hij alles uit de kast om de bestaande en vooral de bedreigde gezelschappen te verdedigen. Het komt er eigenlijk op neer dat volgens deze collega-econoom het theater beter af zou zijn, wanneer alles gelaten was zoals het is.

Zijn er critici die het nieuwe maar niks vinden, er zijn er ook die het kleine niet waarderen. Deze cultuurnota is wel aangeduid als de grote versnipperaar. Door niet selectief genoeg te zijn heeft de raad te veel instellingen voor een te klein bedrag toegelaten, waardoor iedereen nu voor een appel en een ei moet werken.

Versnippering is een ander woord voor diversiteit, een veel geroemde kwaliteit van het Nederlandse kunstleven. Ik weet niet op welk moment diversiteit omslaat in versnippering. Wat ik wel weet is dat de raad eenzelfde percentage van de aanvragen heeft toegewezen als in de vorige ronde. Ik weet ook dat de instellingen die nu in de prijzen vallen, een groter deel van hun financiële wensen gehonoreerd zien dan de vorige keer. Ook in het theater. Bovendien zijn de nieuw toegelaten gezelschappen niet echt nieuw, omdat ze al een aanbod verzorgen en een behoorlijke staat van dienst hebben. In de muziek heeft de raad wederom gepleit voor een verschuiving van symfonische muziek naar andere muziekvormen, zoals kamermuziek, ensembles en popmuziek. Dat leidt vanzelf tot meer toekenningen voor naar verhouding kleinere instellingen. Dat is dus geen gebrek aan selectiviteit, maar een bewuste keuze.

De essentie van het cultuurbeleid is dat de gevestigde orde niet op voorhand de beste is. Daarom wordt elke vier jaar alles tegen het licht gehouden. De onschatbare waarde daarvan is opnieuw bewezen, nu de raad 40 procent van de nieuwe aanvragen zo goed vindt dat subsidie gerechtvaardigd is. Stilstand is het enige alternatief voor wie daar moeite mee heeft. Dat is wel het laatste waar het culturele leven mee gediend is.

Rick van der Ploeg is staatsscretaris van Cultuur.

    • Rick van der Ploeg