Versierde skeletten

Een in Syrië gevonden praalgraf maakt duidelijk dat Egypte en Mesopotamië niet het alleenrecht hebben op een oude beschaving.

OP 10 juni van dit jaar, de dag dat president Hafaz al-Assad van Syrië stierf, vonden Amsterdamse en Amerikaanse archeologen in dat land een meer dan 4.000 jaar oud praalgraf. Het graf was ongeschonden, wat gezien de ouderdom bijzonder te noemen is. Zeker gezien de ligging van het graf: in het zicht, op de akropolis van een tell, een bewoningsheuvel bij Umm al-Mara, ruim 200 kilometer ten noordoosten van Damascus. De bijna vier meter lange en tweeënhalve meter brede tombe van steen en kleitichels telde drie niveaus. Onderin lagen naast een zilveren schaaltje de resten van wat een zestigjarige man is geweest, in het midden vonden de archeologen twee volwassen mannen met als bijgiften schalen met dierlijke botten, een zilveren diadeem en armband en een bronzen dolk en speerpunt. Op hetzelfde niveau lag in de hoek naast de ingang het skelet van een pasgeboren baby. Het opmerkelijkst waren de skeletten van twee ongeveer twintigjarige vrouwen bovenin het graf. Zij waren rijk voorzien van gouden en zilveren armbanden, een gouden diadeem, een hanger van lapis lazuli, kralen en schelpen gevuld met cosmetica. Bij hun knieën lagen twee baby's.

De vondst roept voorlopig vooral vragen op. Wie waren de doden? Waren ze familie van elkaar? Zijn ze tegelijk gestorven? Hoorden ze tot een `koninklijke' familie? Zijn ze ritueel begraven? Waarom hebben de vrouwen de kostbaarste bijzettingen? Waarom zijn ze samen met de baby's begraven? ``De vondst is in ieder geval weer een aanwijzing dat de vroegste, georganiseerde beschavingen ook in Syrië voorkwamen en niet alleen, zoals lang gedacht, in Egypte en Mesopotamië'', weet Hans Curvers, een van de opgravers.

Curvers is vooral bekend vanwege zijn werk in Beiroet, waar hij de opgravingen leidt die de wederopbouw van de stad met zich meebrengt. Onder de vlag van de Universiteit van Amsterdam doet hij ook onderzoek in het Nabije Oosten, met name Syrië. Zijn specialisatie is de overgangsperiode van vroege landbouwgemeenschappen naar de eerste samenlevingen in steden en statenbonden. Net als zijn collega Peter Akkermans van het Rijksmuseum voor Oudheden (RMO) in Leiden, die bij Tell Sabi Abyad graaft, is hij een vroegere leerling van de vooraanstaande West-Azië-expert Maurits van Loon. ``Hij heeft mij en Peter Akkermans aan onze projecten in Syrië geholpen.''

Curvers en zijn Amerikaanse partner Glenn Schwartz, hoogleraar aan de unversiteit van Baltimore, zijn sinds 1994 bezig met hun onderzoek bij Umm-al Mara en in de omliggende Jabulvallei. Ze hebben inmiddels vastgesteld dat de vindplaats op een handelsroute van Mesopotamië naar de Middellandse Zee lag, ongeveer zevenduizend inwoners telde en tussen 2500-2100 v.Chr. zijn eerste bloeiperiode kende. Daarna trad een periode van verval in. Tweehonderd jaar later was de plaats er weer boven op en volgde een tweede bloeiperiode, die tot 1200 v.Chr. duurde.

De vraag is of Umm al-Mara vroeger Tuba heette. Tuba komt in Egyptische bronnen voor als één van de steden in het noorden van Syrië die aan het eind van de veertiende eeuw v.Chr. zijn onderworpen. Mogelijk houden de brandsporen die Curvers en zijn collega in Umm-al Mara hebben gevonden, daarmee verband.

Tuba wordt ook genoemd in de paleisadministratie uit het nabijgelegen Ebla, waar in de jaren zeventig Italiaanse archeologen 17.000 spijkerschriftteksten uit het derde millennium v,Chr. vonden. Ebla bleek een stad met dertigduizend inwoners geweest te zijn, een bewijs dat vroege beschavingen ook buiten Egypte en Mesopotamië voorkwamen. Curvers en Schwartz zijn benieuwd naar de factoren die de processen van bloei, neergang en wederopbloei van beschavingen bepalen. Het ziet er niet naar uit dat er een ondubbelzinnig, alomvattend antwoord bestaat, zegt Curvers. ``In Mesopotamië lijkt de bloei vooral samen te hangen met de irrigatiemogelijkheden van de Eufraat en de Tigris. Dat proces gaat voor Syrië niet op. Hier lijken ze hun voorspoed te danken te hebben gehad aan het gemengde bedrijf, waarin ze perioden van droogte opvingen met schapenteelt. In slechte tijden trokken ze als nomaden rond, tot betere tijden aanbraken en ze zich weer op een tell vestigden.''

NOMADEN

Het is sowieso de vraag of Umm-al Mara, ongeacht of het het vroegere Tuba is, een gewone stad was. Curvers: ``We hebben wel een stadsmuur met toegangspoorten gevonden, maar geen paleis en tempel. Een groot deel binnen de muren is niet bebouwd geweest.'' Diende dat deel als toevluchtsoord voor mens en dier in tijden van gevaar of werd hier de jaarmarkt gehouden en was Umm-al Mara de ontmoetingsplaats tussen nomaden uit de steppe en stedelingen uit Ebla? Daarover heerst geen zekerheid. Wel is bekend dat stedelingen neerkeken op nomaden. Curvers: ``Dat soort wilden ze liever niet aan de poort hebben. Umm-al Mara zou dan een soort 'gateway' geweest kunnen zijn, waar nomaden met hun 'lagere' beschaving kennis maakten met `verfijnde' stedelijke cultuur, zoals nu nog in het moderne Sfire gebeurt, waar nomaden en stedelingen producten uitwisselen.'' Het brengt hem meteen op nieuwe speculaties over de mensen in het gevonden graf. ``Misschien waren het rijke nomaden. Of stedelingen, die om de een of andere reden naar de rand van de samenleving waren verbannen.'' Voorlopig blijft het bij speculaties. Eerst wacht het schrijven van het tweejaarlijkse opgravingsrapport. Pas over twee jaar gaan de archeologen verder met de opgraving. Tot die tijd blijft het graf toegedekt onder het zand.