Tussenstand Enschede

EEN RAMP is vaak een toevallige samenloop van omstandigheden. Maar de omstandigheden zijn vaak minder toevallig. Zo ook in Enschede, waar 13 mei het vuurwerkbedrijf SE Fireworks explodeerde, een woonwijk werd verwoest en 22 mensen om het leven kwamen.

De oorzaak en precieze afhandeling van de ramp is nog onbekend. De speciale commissie-Oosting is bezig met de analyse en beoordeling ervan. Over de samenloop van omstandigheden is nu echter meer bekend. De reconstructie, die minister De Vries (Binnenlandse Zaken) gisteren aan de Tweede Kamer heeft gestuurd, bevestigt op strikt feitelijk niveau enkele eerder geuite vermoedens over een gebrek aan alertheid voor en een moeizame informatievoorziening tijdens de ramp.

De gemeente Enschede had bijvoorbeeld eerder op de hoogte kunnen zijn van de wijze waarop S.E. Fireworks werd geleid. Reeds in 1995 vermoedde de politie dat de latere eigenaar van het bedrijf zich onledig hield met zwarte handel in illegaal vuurwerk. Toen de brandweer op de bewuste zaterdag 13 mei naar de opslagplaats uitrukte, werd de politie al na ruim een kwartier gewaarschuwd voor het gevaar van een ,,harde knal', die vervolgens ook kwam met alle rampzalige gevolgen van dien. En toen het allemaal te laat was, raakten de verschillende autoriteiten ook nog eens met elkaar in de clinch over de vraag of er al dan niet voor asbestgevaar moest worden gewaarschuwd.

OF DE GEMEENTE hierop moet worden aangesproken, is nog niet te beoordelen.

Eerst en vooral omdat een ramp zich nu eenmaal nooit volgens het boekje voltrekt en er dus onder grote druk geïmproviseerd moet worden. In zo'n atmosfeer worden er onvermijdelijk fouten gemaakt, die niemand euvel zijn te duiden zolang de directe belangen van de slachtoffers voorop staan. Dat burgemeester Mans van Enschede meteen na de ramp suggereerde dat formeel alles in orde was, respectievelijk dat hij van niets wist, hoort vooralsnog in die categorie, mede omdat hij zich tegelijkertijd als een ware burgervader heeft gedragen.

Bovendien mist de `reconstructie' van minister De Vries een context die de commissie-Oosting straks hopelijk wel zal bieden. Ook dat manco rechtvaardigt geen kritiek. De autoriteiten hebben na de Bijlmerramp van 1992 geleerd dat ze de kale feiten niet moeten verdoezelen, omdat de burgers dan hun eigen conclusies trekken en soms zelfs gaan fantaseren. Het `feitenrelaas' van De Vries heeft dan ook een dubbel nut: het informeert de belanghebbenden en biedt aanknopingspunten voor het nog af te ronden `integrale onderzoek'.

Enkele kanttekeningen zijn niettemin gepast. De reconstructie is gemaakt door acht verschillende rijksinspecties. Allemaal waren ze vanuit hun eigen verantwoordelijkheid op zoek naar de ,,waarheid'', zoals de minister het formuleert. De bestuurlijke aansprakelijkheid daarvoor is dus ook uitgesmeerd over verschillende ministers. Straks volgen ,,analyse en conclusies'. Ook dan zou de verantwoordelijkheid wel weer eens diffuus kunnen blijven.

DEZE BENADERING spoort met het voorstel van De Vries om drie soorten rampenraden in het leven te roepen: een algemene raad, een defensieraad en een transportraad. Kortom, een driespan zonder eenduidige teugels.

Volgens de minister is dit onvermijdelijk omdat alle rampen anders zijn. Als je alle uiteenlopende methoden en technieken op één hoop zou gooien, zou je het paard achter de wagen spannen.

De redenering is redelijk, hoewel net zo goed denkbaar is dat bundeling van expertise en ervaring juist effectiever kan zijn. Maar ze gaat hoe dan ook voorbij aan een ander, minder technisch, aspect van de rampenbestrijding: de politieke verantwoordelijkheid van de betrokken openbare bestuurders. Overheidsdiensten hebben nu eenmaal een ingebakken behoefte zichzelf te beoordelen, ook na een ramp. Hoe meer bestuursorganen zich met een ramp bemoeien, hoe makkelijker dat wordt en des te minder er terecht komt van controlerende zelfreflectie achteraf.

DE TWEEDE KAMER heeft vooralsnog niet enthousiast gereageerd op de voorstellen van minister De Vries. De reconstructie die het parlement sinds gisteren in bezit heeft en de nog komende rapportage van de commissie-Oosting moeten daarom niet alleen beoordeeld worden op hun betekenis voor de noodzakelijke analyse van de ramp in Enschede. Het perspectief kan breder zijn. Ook de rampenbestrijding in algemene zin moet aan de orde komen.