Superioriteit ter discussie

De historicus Sir Steven Runciman bleef altijd een man aan de zijlijn. Een estheet met een grote liefde voor Byzantium.

De historicus James Cochran Stevenson Runciman, geboren op 7 juli 1903 en overleden op 1 november 2000, kan met recht een `overlevende uit de voortijd' genoemd worden. Hij stamde uit de tijd dat de wil van Brittannië wet was en uit de klasse die het toezicht had op de uitvoering daarvan. Zijn vader Walter, de eerste burggraaf Runciman van Doxford, was minister in het kabinet-Asquith, hijzelf ontving zijn scholing op Eton en Trinity College, Cambridge. Daar was hij ook fellow van 1926 tot 1938, toen de erfenis van zijn grootvader hem in staat stelde het universitaire wereldje vaarwel te zeggen en zich volledig te concentreren op het schrijven van boeken. De enige officiële functies die hij daarna nog bekleedde waren diplomatieke posten in Sofia, Cairo, Jeruzalem en Athene, in en vlak na de oorlog. Voor de rest van zijn leven was hij een `gentleman-scholar', vrij om zich volledig te wijden aan zijn passie voor het oude Byzantium en de Balkan.

buitenstaander

Ondanks het feit dat Steven Runciman in zijn lange leven zo ongeveer alle `glittering prizes' heeft gewonnen die er te vergeven waren, en dat hij intens kon genieten van het gezelschap van de groten dezer aarde (op zijn tachtigste verjaardag waren vier koninginnen aanwezig), is hij altijd een buitenstaander gebleven, een man die de wereld waarin hij grootgebracht was met afstand en ironie bekeek. Hij was, wat men in Engeland in beschaafde kring nog steeds een estheet pleegt te noemen. Hij onderhield een blijvende vriendschap met de spion Guy Burgess, die zijn leerling was geweest in Cambridge. Hij frequenteerde de Bloomsbury Circle en leerde daar van Lytton Strachey de Britse grootheid met een argwanend oog te bezien. Tot op het laatst van zijn leven bleef hij tegendraads door zich fel te keren tegen het NAVO-beleid in Kosovo en het Servische standpunt te verdedigen in woord en geschrift.

Ook in zijn wetenschappelijk werk was Runciman een van de eersten die de vanzelfsprekende superioriteit van de West-Europese cultuur ter discussie stelden. Zijn grote liefde ging uit naar het Byzantijnse Rijk, de grote verliezer in de worsteling om de vormgeving van het christelijke Europa. Hij voelde een diepe sympathie voor een cultuur die duizend jaar lang op haar ondergang vooruitliep en van een diep pessimisme vervuld was: `The weary Byzantine knew that the doom so often threatened must some day surely envelop him. And what did it matter? It was needless to complain. This world was a foolish travesty, haunted with pain and with sorrowful memories and foreboding. Peace and true happiness lay beyond.' Vanuit die gedoemde wereld keek Runciman naar het Westen en zag veel dat fout was.

Nergens heeft hij dat scherper verwoord dan in zijn driedelige geschiedenis van de kruistochten (1951-1954), een werk dat nog altijd staat als een huis. Het is bijna onvoorstelbaar op het ogenblik, maar Runciman was de eerste die zich echt afvroeg wat de kruistochten hadden betekend voor het Oosten. Hij gebruikte de Griekse, Syrische, Arabische en Armeense bronnen, die al meer dan een eeuw bekend waren, maar nooit serieus genomen waren. Hij beschreef de tijd der kruistochten als het beslissende moment waarop het centrum van de beschaving verschoof van Byzantium en de Arabische wereld naar West-Europa en dat stemde hem niet echt vrolijk. Zoveel waardevols ging toen verloren en de vraag voor hem was of het Westen er echt beter van geworden was. In Runcimans ogen waren de winnaars van dit duel de echte verliezers.

Runcimans sympathie voor de vertrapten komt nergens beter naar voren dan in zijn naar mijn mening mooiste werk, `The Great Church in Captivity', gepubliceerd in 1968. In dat boek beschrijft hij de geschiedenis van de Grieks-orthodoxe kerk vanaf de val van Constantinopel in 1453 tot aan het begin van de Griekse Opstand in 1821. Het zijn de lotgevallen van een groep mensen die bijna uit de geschiedenis was weggeschreven. Dat geldt zelfs letterlijk. Zo diep was de val van de Grieken dat er nauwelijks nog bronnen voor hun geschiedenis te vinden zijn. De archieven van het patriarchaat zijn geplunderd of verbrand, in de Turkse bronnen komen de Grieken nauwelijks voor. Runciman zegt dat hij bijna helemaal afhankelijk is geweest van reisverslagen, van de dépêches van Westerse diplomaten in Constantinopel en van de brieven van katholieke en protestantse geestelijken die probeerden het contact met hun afgescheiden broeders in het Oosten weer op gang te brengen.

interne twisten

Wat het boek zo weergaloos knap maakt, is dat Runciman zich op geen enkele manier door zijn grote sympathie voor de geknechte Grieken laat meeslepen. Hij vertelt het verhaal van een ontredderde kerk die niet langer politieke en sociale verantwoordelijkheid voor het geheel van de samenleving droeg en zich daarom op de meest kleinzielige manier kon overgeven aan allerlei interne twisten, die tot dan toe omwille van de eenheid op een laag pitje gehouden waren. De enige die ervan profiteerde was de sultan. Die moest telkens weer bemiddelen en sprak zich gewoonlijk uit ten gunste van de partij die het meeste smeergeld kon bieden. Het was een tragisch en vernederend schouwspel van een groep mensen die met hun onafhankelijkheid ook hun waardigheid leken te zijn kwijtgeraakt, een verbijsterend voorbeeld van wat er gebeurt als je mensen tot een onderklasse reduceert: je ontneemt ze alles, zelfs de mogelijkheid om als fatsoenlijke mensen te leven. Dat kan ook niet anders: `If [the patriarchs] often indulged in intrigue and often in corruption, such is the inevitable fate of second-class citizens under a government in which intrigue and corruption flourished'.

Steven Runciman was ondanks zijn afkomst en zijn succes een buitenstaander, die in zijn werk de vergeten geschiedenis van verliezers en buitenstaanders tot leven heeft gebracht, lang voordat postmodernisten met veel omhaal van woorden de Westerse cultuur gingen decentreren.