Oostenrijk verandert, maar niet ten goede

Oostenrijkers zijn er verbolgen over dat het buitenland ongunstiger over hun land oordeelt dan zijzelf. Dit ongenoegen zorgt voor isolement, niet alleen naar het Westen toe, maar ook tegenover de buurlanden in het oosten. Wie zo blind is voor eigen falen kan problemen verwachten, vindt Karin Jusek.

De Oostenrijkse regeringscoalitie van extreem rechts en conservatieven beloofde bij haar aantreden in februari veel te zullen veranderen en zij heeft woord gehouden. Het naoorlogse systeem van de `Proporz' – de evenredige verdeling van alle belangrijke functies in het bestuur én in de staatsbedrijven tussen conservatieven en sociaal-democraten – is volgens de regering afgeschaft. Dat klopt, ten dele. De sociaal-democraten raakten hun functies kwijt, de Freiheitlichen namen ze over. Verder leeft het systeem voort, rigider dan ooit. Een andere belangrijke verandering is de acute bedreiging van de persvrijheid. De staatsomroep ORF bevindt zich in de wurggreep van de regering die in alle openheid positieve berichten over haar activiteiten eist, en inmiddels zo ver gaat dat ze probeert het melden van slecht nieuws te verbieden.

Niemand minder dan de fractievoorzitters van FPÖ en ÖVP, Peter Westenthaler en Andreas Khol, hebben een heel weekend lang ORF- journalisten onder druk gezet om het verschijnen van het boek van Josef Kleindienst buiten het nieuws te houden. De agent Kleindienst beschreef daarin hoe hij en zijn collega's in opdracht van de FPÖ sinds jaren op illegale wijze informatie over politieke tegenstanders vergaarden. Deze `spionageaffaire' heeft de coalitie inmiddels in serieuze problemen gebracht. Dat de regeringspartijen dachten dergelijke informatie te kunnen onderdrukken illustreert zowel hun ideeën over machtsuitoefening als ook hun realiteitsbesef.

De moeilijke positie van de ORF is te wijten aan de opvattingen over de onafhankelijkheid van de media van alle drie de grote partijen, dus ook van de sociaal-democraten. De ORF heeft een bestuur dat bestaat uit uit vertegenwoordigers van de in het parlement zittende partijen én hij heeft een zendmonopolie. ,,Wij hebben tijdens de vorige regeringsperiode de deuren bij de sociaal-democraten platgelopen'', aldus een ORF-journalist. ,,Steeds weer gezegd: maak de ORF onafhankelijk zolang jullie nog aan de macht zijn, maar ze wilden niet luisteren. Ze konden zich gewoon niet voorstellen ooit niet meer in de regering te zitten.''

Onder het motto `Wij zijn niet bereid onze vijanden te steunen' had de huidige regering al eerder aan kranten en niet-gouvernementele organisaties de nieuwe orde duidelijk gemaakt door het voor kranten en andere bladen gebruikelijke goedkope posttarief af te schaffen. Op de storm van protesten reageerde Andreas Khol met de mededeling: ,,Wij zullen de bokken van de schapen scheiden en zien wie gereduceerde tarieven verdient en wie niet.'' Dat kritische kranten net als organisaties die Oostenrijk `met hun onjuiste berichten voortdurend belasteren' niet op tegemoetkoming hoeven te rekenen, werd door iedereen begrepen.

Dat de aantasting van de democratische grondslagen door de meerderheid van de bevolking als business as usual wordt gezien, heeft met de Oostenrijkse opvatting van democratie te maken. Die komt er in het kort op neer dat de meerderheid het voor het zeggen heeft. Een minderheid heeft het recht niet om eisen te stellen, in het beste geval worden haar – als beloning voor aangepast gedrag – gunsten verleend. Nu er een duidelijke meerderheid van extreem rechts en conservatief aan de macht is, worden degenen die daar niet bij horen als de terecht machteloze minderheid gezien. Niemand, behalve `ultra-linkse oproerkraaiers' zoals kritische Oostenrijkers door de machtige boulevardkrant Kronen Zeitung worden genoemd, verwacht van de regering dat ze met deze minderheid rekening houdt.

Een ander algemeen toegepast principe is `Wie betaalt, bepaalt'. Aan de vooravond van de EU-top in Biarritz vroegen zich de Europese tv- correspondenten af, hoe de problemen tussen Israëliërs en Palestijnen opgelost konden worden. Alleen de ORF-correspondent zat er vooral mee dat ,,de EU zoveel geld in het Midden-Oosten stopt en daar niets te vertellen heeft.'' Toen Jörg Haider in februari zei dat nestbevuilende kunstenaars in toekomst niet meer op subsidies hoefden te rekenen omdat ,,het niet verstandig is de hand te bijten die je voedt'', juichte niet alleen de hele biertent waarin hij stond. De meeste Oostenrijkers zijn het met die opvatting eens.

De onbekendheid met Westerse normen en waarden bezorgt Oostenrijk voortdurend problemen. Door Eine europäische Affäre. Der Weisenbericht und die Sanktionenen gegen Österreich van Margaretha Kopeinig en Christoph Kotanko, twee journalisten van de conservatieve Kurier, is bekend dat öVP-voorman Wolfgang Schüssel direct na de verkiezingen van 3 oktober al op een coalitie met de FPÖ mikte. Dat hij desondanks in december de vraag van Jacques Chirac of hij een coalitie met de FPÖ zou aangaan met `Jamais' beantwoordde, versterkt binnen Oostenrijk zijn reputatie van slimme jongen. Buiten Oostenrijk wordt dergelijk gedrag als onbetrouwbaar gezien.

Ook dat deze regering zich inmiddels weer op het standpunt heeft teruggetrokken dat Oostenrijk het slachtoffer van Hitler-Duitsland was, roept verbazing op. Minister van Buitenlandse Zaken, Benita Ferrero-Waldner trok fel van leer tegen haar Duitse ambtgenoot Joschka Fischer, die over `de moeilijke geschiedenis van beide landen' had gesproken. ,,Onze geschiedenis lijkt in niets op die van Duitsland'', riep Ferrero Waldner tijdens een culturele manifestatie in de Hofburg. ,,Oostenrijk was het slachtoffer, niet de agressor!'' Daarmee is Oostenrijk weer terug bij af.

Na het schandaal rondom de `vergeetachtige' president Kurt Waldheim bestond de hoop dat Oostenrijk alsnog een eerlijke confrontatie met zijn verleden aan zou gaan. Uiteindelijk heeft deze periode niet meer dan een paar gedegen historische studies opgeleverd. Het overgrote deel van de bevolking wil van `deze geschiedenis' niets meer horen. De ouderen omdat ze ,,zelf hebben moeten lijden en het land weer opnieuw hebben opgebouwd.'' De jongeren ,,omdat ze er niets mee te maken hadden en ook de oudere generatie niet voor het hoofd willen stoten.''

Toen een aantal jaren geleden een monument voor een door de nazi's vermoorde non in Tirol werd onthuld, vroeg de journalist Peter Huemer aan de burgermeester waarom daarmee zo lang was gewacht. ,,De man die haar heeft verraden is pas overleden. Als we het eerder hadden gedaan was hij er dagelijks aan herinnerd. Nu heeft hij er geen last meer van en voor haar komt het op een paar jaar niet aan'', legde de burgermeester uit.

Het partijkiezen voor de voormalige daders wordt als normaal beschouwd en gebeurt daarom in alle openheid. Zo wilde de FPÖ politicus Wolfgang Rauter verbieden dat schoolklassen naar Schindlers List zouden gaan omdat ,,onze kinderen niet gehersenspoeld mogen worden.'' Zijn engagement heeft zijn carrière bevordert en hij wordt nu als algemeen gerespecteerd politicus beschouwd. Ook de jaarlijkse SS Heldenfeiern op 1 november op vele kerkhoven in Oostenrijk, opgeluisterd door bisschoppen en gemeentelijke blaaskapellen en aandachtig gadegeslagen door familieleden en vrienden van de oud-SS'ers tonen met wie de bevolking zich identificeert. Alleen in Salzburg wordt er tegen geprotesteerd. Maar de demonstranten worden elk jaar weer door de politie met boetes gestraft. De SS'ers hoeven hun optreden – demonstratief in militaire formatie – niet aan te melden want hun optocht wordt door de politie als `volksgebruik' gezien. De groep die onlangs een herdenkingsbijeenkomst voor de slachtoffers van de holocaust wilde houden, kreeg het bericht dat een dergelijke manifestatie `geen volksgebruik' was. De marsmuziek van de SS verstoort de rust van het kerkhof niet, de herdenkingsbijeenkomst wél, aldus de politie.

De betrokken politieagenten zijn geen `oude onverbeterlijken'. Zij zijn jonge mannen en hun chef is een sociaal-democratische vijftiger. De opsomming van positieve of tenminste ambivalente houdingen ten opzichte van het nationaal-socialisme kan moeiteloos worden voortgezet. Toch is een meerderheid van de bevolking, met voorop de minister van Buitenlandse Zaken, van mening dat dit soort `incidenten' niets mee te maken heeft met `hoe Oostenrijk werkelijk is.'

Het buitenland oordeelt anders en Oostenrijk is daar zeer verbolgen over. Men voelt zich miskend en reageert verontwaardig of larmoyant. De – onbedoeld – meest vernietigende verklaring van de botsing tussen Oostenrijk en West-Europa kwam van de Oostenrijkse EU-commissaris Franz Fischler. ,,De Oostenrijkers hebben een taboe doorbroken maar zij begrijpen niet welk taboe.'' zei de partijgenoot van ÖVP-kanselier Wolfgang Schüssel. Hij benoemde daarmee de kern van het probleem: zijn land heeft het nationaal-socialisme nooit getaboeïseerd en begrijpt de Westerse verontwaardiging over een regeringspartij als de FPÖ niet. Toen de sancties werden opgeheven, ondernam het hele kabinet een bedevaart: het noodlot was afgewend, alles was weer goed gekomen. Daarmee wees de regering elke verantwoordelijkheid van zich.

Maar Oostenrijk is niet alleen naar West-Europa toe geïsoleerd. Ook de contacten met de buurlanden in het oosten worden verziekt door het verleden. Deze hebben er niet alleen genoeg van de voortdurende Weense dreigementen om hun toetreding tot de EU onmogelijk te maken als ze hun kerncentrales niet sluiten. De eis van de Oostenrijkse regering om de wetten die met de nazi-collaborateurs afrekenden voor ongeldig verklaren, hebben in Tsjechië en Slovenië eveneens kwaad bloed gezet. ,,Natuurlijk is de relatie met onze oosterburen ambivalent'', zei ÖVP-Europarlementariër Ursula Stenzl, ,,het verleden was immers bitter.'' Zij doelde daarmee niet op de terreur van de nazi's maar op de verdrijving van de Duitsers uit Tsjechië en Slovenië na Hitlers nederlaag. Dat destijds ook onschuldigen slachtoffers werden, kan niet ontkend worden. Wat oorzaak en gevolg waren evenmin. Wie zo blind is voor het eigen falen, kan problemen verwachten en zich vervolgens weer onbegrepen voelen. Waarmee de cirkel rond is.

Dit is het laatste stuk van Karin Juûek als correspondent van NRC Handelsblad in Wenen.