Lassie

Als ik een literaire avond heb, richt de aandacht zich doorgaans op nogal aardse zaken. Ik vind dat prima. Als je de hele dag met de zin van het leven in de weer bent, wil je 's avonds wel wat anders.

Koeien. Ik lees altijd iets voor over koeien en dat geeft altijd aanleiding tot een nadere gedachtewisseling, en nogmaals: prima. Ik heb alleen een hekel aan die ene vraag die altijd op de loer ligt. Vroeg of laat: wat hebt u met koeien?

Een intelligente vraag natuurlijk, anders zou ze niet zo vaak gesteld worden. Een vraag met een hoog Ivo Niehe-gehalte — als je een publiek figuur wilt zijn zul je dergelijke vragen moeten kunnen beantwoorden. Dus het zweet breekt me uit.

Want nu kun je best over de koe beginnen. Haar monumentale kwaliteiten, haar moederlijke aard, haar rol in onze geschiedenis, haar betekenis voor ons landschap, hoe wreed ze wordt gemanipuleerd in ons productieproces, hoe dicht ze niettemin bij de oerkoe is gebleven, en dat de gele oormerken onverminderd een schande zijn — dat is allemaal heel goed mogelijk.

Maar in de eerste plaats is dat nou precies wat ik zojuist heb voorgelezen, wat ik allang geschreven heb, waar verder maar bar weinig over te zeggen valt. En bovendien is dit eigenlijk de vraag niet. De eigenlijke vraag is: wat hebt u met koeien — niet wat er zo bijzonder is aan koeien, maar wat er zo bijzonder is aan `u'.

Met die vraag kan ik geen kant op. Er is niets in mijn leven waaruit een gedoemdheid tot koeien kan worden geconstrueerd. Ik geloof ook niet dat ik iets in koeien zie wat een ander niet in koeien zou kunnen zien. Ik geloof alleen dat mijn werk er zich toevallig toe leent om ruchtbaarheid te geven aan wat ik in koeien zie.

Inmiddels ben ik eenzaam op weg naar huis. Het loopt tegen middernacht. De snelweg zet zich in positie voor de Moerdijkbrug. Het begint te regenen op mijn voorruit en ik denk: als kind ben ik in de sloot gevallen en toen is er een koe naar de boerderij gerend om hulp te halen en die koe, die heette Lassie.