Fietsvormige holte

Op het terrein van de gestolen fiets kende ik tot dusver drie varianten. (1) De gewoonste: je fiets is gestolen en je ziet hem nooit meer terug. (2) Iets ongewoner: je gestolen fiets staat niet ver weg met een te hulp geschoten lekke band jouw komst af te wachten. (3) Je fietsenmaker belt je op met de mededeling dat hij jouw eergisteren gestolen fiets net binnen heeft gekregen om er een nieuw slot op te zetten. Ik heb er nu een vierde variant bij.

De gebruikelijke inleiding tot het verhaal waarin het onverwachte plaats grijpt, kan niet buiten de woorden `bijna altijd'. Want bijna altijd zet ik mijn fiets dubbel op slot en met het frame vast aan bordes of balie. Ik geef toe: deze keer niet. Het was midden op de dag en ik ging alleen maar even een boekhandel in om een al gereedgelegd boek te betalen. Ik zette mijn fiets tegen de etalage en ik betaalde het boek terwijl ik zelf met de rug, en de boekhandelaar met zijn gezicht, naar de bewuste etalage stond. Het is een klein antiquariaat.

We maakten een praatje, van zoals ik achteraf uitrekende ongeveer twaalf minuten, over Sint Nicolaas. De boekhandelaar was er na jaren in geslaagd een exemplaar te bemachtigen van Karl Meisen's uiterst zeldzame monografie Nikolausbrauch und Nikolauskult im Abendlande. Ad vijfhonderd gulden overigens, wat mij definitief verzoende met mijn eigen gefotokopieerde exemplaar. Goed. Toen ik naar buiten stapte zag ik de welbekende fietsvormige holte. Eerst dacht ik nog: Sint-Nicolaas, patroonheilige van de dieven. Want ook dat is hij. En toen ontstak ik in razernij.

Nu is razernij iets waar je niet zoveel aan hebt. Maar deze razernij ging als vanzelf over in een tamelijk eenvoudige denkarbeid. Dit kon namelijk helemaal niet, was mijn voornaamste invalshoek. Zelfs dat ene ASSA-slot kreeg je niet zomaar even open. Bovendien, dat zouden wij daar binnen heus wel gehoord hebben. In gedachten zag ik de dief mijn fiets dus om de eerste de beste hoek neerzetten, nog steeds op slot, om hem op een rustiger tijdstip te komen ophalen. Maar welke hoek?

Ik besloot er werk van te maken. Maar niet te voet natuurlijk. Dus liep ik eerst naar huis om vervolgens op een hulpfiets mijn systematische recherche uit te voeren: terug naar de plaats des onheils en van daaraf alle mogelijkheden traceren. Mijn fiets, moet u weten, kan ik door kleur en type in een oogopslag thuisbrengen. Ik fietste en keek. Maar omdat ik hem nergens zag staan, begon ik mijn analyse langzaamaan toch te betwijfelen. Ik stapte van het uitgangspunt af en reed nog naar een van plekken waar de junken hun slotloze tweewielers slijten. En ten slotte gaf ik het op.

Ik wijdde me aan andere dingen. Het was intussen ook nog pijpestelen gaan regenen. Maar het brein is een wonderlijk ding. Het geformeerde innerlijke team, om zo te zeggen, was allang weer ontbonden – maar toch kwam daar nog een tip binnen. En dat was deze: je hebt niet aan de waterkant gekeken. De hele geschiedenis had zich namelijk aan een gracht afgespeeld. Een niet zo grote gracht weliswaar, maar toch een heuse gracht.

Waterkant, waar heeft hij over? Zelfs Amsterdammers die van de hoed en de rand weten, zullen zich dat nu misschien afvragen. We naderen dan ook het moment waarop alle dingen hun naam zullen krijgen. Maar wat ik dacht was alleen maar: inderdaad, langs het water heb ik niet echt goed gekeken. Niet systematisch. Misschien heeft die ellendeling mijn fiets wel in een van die kleine bootjes gepleurd. Daarom stapte ik nog een keer op mijn hulpfiets en reed naar de bewuste gracht. Vanaf de hoge brug (die het gewenste, sterk verbeterde, perspectief op de beide waterkanten bood) zag ik hem meteen staan.

Een en ander kwam voort uit een bijzonderheid van dat stuk van de Leliegracht. Er is daar namelijk een sluis geweest. En die sluis bleek, voortreffelijk aan het zicht onttrokken door drie geparkeerde auto's, net voldoende ruimte te verschaffen aan een bank. Tegen die bank dus, aan de zeer mooie Leliegracht, was het dat, op hooguit vijfentwintig meter afstand van het voortreffelijke antiquariaat Hieronymus Bosch, mijn oersterke bergfiets stond, de Batavus Cheyenne, die ik nu, een uur of wat later, van het slot haalde. Onderwijl vervulde mij een diepe dankbaarheid tegenover de genius loci: de ietwat onttakelde, wat kleinere god van het sluisje, die de zaak toch altijd nog zo'n beetje waarnam.

Maar denkt u er dus aan. Als u in een van die vier, vijf of zes boekhandels geweest bent die de Leliegracht rijk is (het hangt er vanaf hoe je telt), en u mist uw fiets: wie weet staat hij daar.

    • Nicolaas Matsier