Drempelvrees voor oude tekst

Eens was ik een tegenstander van het aanpassen van historische teksten aan moderne lezers. Ik wilde niet herspellen, niet uniformeren en hertalen zou ik niet eens overwogen hebben. Toch is herspellen nog maar een kleinigheid vergeleken met hertalen. Bij herspellen wordt de oude spelling aangepast aan de nieuwe. Dat moeten de uitgevers nu al doen bij herdrukken van boeken van vóór 1995, het jaar van de jongste spellingswijziging. Herspellingen raken vooral de uiterlijke verschijningsvorm van de woorden, hertalingen daarentegen raken ook de inhoud.

Hertalingen en herspellingen zouden alleen maar luie lezers kweken, dacht ik, en de wig tussen de tegenwoordige literatuur en die uit het verleden alleen nog maar vaster indrijven. Dus als ik literatuur uit het verleden editeerde, hield ik me nauwgezet aan de tekst van de bron en greep alleen in als er aantoonbaar een schrijf- of zetfout in het origineel stond. Zo deed ik het zelf, zo doe ik het het liefst en zo leer ik het mijn studenten. Een goede toelichting en een moderne typografie zouden al genoeg zijn om de oude literatuur weer toegankelijk te maken, dacht ik.

Nú denk ik dat een luie lezer beter is dan geen lezer. Voor het eerst in mijn carrière heb ik deze zomer een negentiende-eeuwse bundel herspeld. Ik heb daar geen enkel plezierig moment aan beleefd. Want wat ik ook probeerde: de herspelde tekst bleef hybridisch en onbevredigend. Het ging om Gedichten van De Schoolmeester, die verschijnen in een reeks voor het onderwijs. De redacteuren van de reeks hebben herspelling als richtlijn voor teksten uit de achttiende en negentiende eeuw. Maar vooral bij poëzie krijg je al gauw een onbehaaglijk gevoel bij de herspelling. Het minst moeilijk zijn de -sch's in `menschen', `visschen' en `bosch'. Ik meen zeker te weten dat die -sch's niet uitgesproken werden (vooroorlogse sprekers nodig ik uit me te corrigeren). De computer wisselt in nagenoeg één handeling alle verouderde -sch's om voor -s'en. Al iets meer moeite heb ik met de dubbele oo's en uu's in `boomen', `geloovig', `eenig', `eeredicht'. Eigenlijk zou ik de verdubbeling van lange klinkers bij een volgende herspelling wel weer ingevoerd willen zien, want die is logisch, zowel etymologisch als fonologisch. Het is niet voor niets dat kinderen op de basisschool vaak `raamen' en `buuren' schrijven. Maar bij de herspelling van naamvallen haak ik af. In poëzie maakt het toch werkelijk uit of er staat: `Ik ween om bloemen in den knop gebroken/ en vóór den uchtend van haar bloei vergaan' (Kloos), `Hoe laat is 't aan den tijd?' (Boutens) en `Een hond is vermaard om zijn gezelligen aard' (De Schoolmeester). Bij klinkers die op elkaar dreigen te botsen, krijgen de naamvallen een verbindende functie (den uchtend, gezelligen aard). Bovendien leggen naamvallen de grammaticale betekenis vast.

De naamvallen werden vroeger onnadrukkelijk, maar wel licht hoorbaar uitgesproken. Dat is althans mijn indruk van vooroorlogse geluidsopnamen. Alleen amateurvoordragers benadrukken nog wel eens de uitgangen als ze een oude tekst voorlezen. De rasreciteur Jules Deelder heeft onlangs de hele Overwintering op Nova Zembla van Tollens voorgedragen in twintig minuten (Tollens deed er vroeger een uur over) en op een heel natuurlijke manier vloeiden de den's en eenen's vrijwel onbemerkt en zeker niet ouderwets door de zinnen. Er zou me dus veel aan gelegen zijn om de naamvallen te behouden, ook omdat die orde scheppen in lange zinsverbanden.

Bij de uitgave van De Schoolmeester heb ik eerst geprobeerd of ik kon herspellen met behoud van de naamvallen, maar dat leverde een akelig zieke tekst op. Ik heb me tenslotte toch maar geconformeerd aan de richtlijnen van de uitgever en een herspelde versie ingeleverd – met hier en daar een stijfkoppigheidje dat me gegund werd. Mijn conclusie is dat er eigenlijk maar twee wegen voor een editeur zijn. Of je houdt je gewoon aan de oude tekst, zo secuur mogelijk en zonder compromis. Of je zet rigoureus de oude taal overboord en hertaalt. Weg met het poldermodel van de herspelling, gooi de boel maar helemaal om naar de moderne tijd! Dat heb ik enige tijd geleden gedaan met brieven van Bilderdijk en onlangs met het reisdagboek van Jacob van Lennep, die in 1823 een voettocht door Nederland maakte. Hertalen is een kostelijk tweegesprek tussen heden en verleden. De tekst blijft historisch, want het tempo, de gebruiken en de gedachtewereld zijn historisch. De moderne taal botst daar af en toe mee. Dat speelt op verschillende niveaus. Het woordniveau is daarbij het eenvoudigst. Om dat te toetsen heb ik jonge studenten en een nog jongere dochter, die samen een uitstekend klankbord vormen om te weten of bepaalde woorden nog begrepen worden of niet. Het begon al met de eerste zin uit het dagboek van Jacob van Lennep. Hij schrijft: `Nadat ik met veel moeite mijn ransel met een hemd, twee paar kousen, eene das en muts en andere noodwendigheden volgepropt had, ging ik mijnen vriend Van Hogendorp, die in het Rondeel gelogeerd was, afhalen.' Afgezien van het feit dat een hemd en twee paar kousen wel wat weinig lijken voor een reis van ruim drie maanden, was er het woord `ransel'. Mij leek dat geen probleem, maar mijn studenten lachten mij uit: alsof er iemand zou zijn die dat woord nog begreep. En dus werd Van Lenneps ransel een rugzak en daardoor werd Jacob gemoderniseerd tot een rugzaktoerist. Ik was daarmee ook de wat militaire connotatie van ransel gelukkig kwijt.

Soms zijn er van die aardige woorden die je eigenlijk niet prijs wil geven. Geert Mak, die het dagboek van Van Lennep naloopt voor een tv-serie bij de RVU, wordt helemaal week als hij het woord `runddieren' hoort, de gewone benaming voor rundvee in die tijd. Maar runddieren klinkt zoveel gezelliger, dat de hele tv-ploeg binnen de kortste tijd sprak van runddieren in de weilanden. In een woord als `chinaasappelen' is de oude herkomst nog zo aardig te zien en dus levert de hertaling ook hier verlies op. Er zijn daarnaast woorden voor zaken die niet meer bestaan of weinig bekend meer zijn: kaarden (uitpluizen), meekrap (verf), want (groot net), haringbuis (schip), sterrenbosje (bosje met paden die elkaar op een middelpunt snijden), snetlaagjes (koekjes), toelast (groot wijnvat), roten (week maken van vlas). Ik heb nog gebeld met een culinair-journaliste om te achterhalen wat nou precies paardenbonen zijn, die in de strafkolonie Ommerschans geserveerd werden, maar zij had ze ook nog nooit geproefd. Dit soort woorden kan niet omgezet worden, alleen maar toegelicht.

Een woord dat modern lijkt, kan iets anders betekenen. Zo komt Van Lennep bij een professor in de anatomie thuis in een kamer `vol skeletten en wangedrochten, allen heerlijk voorbereid'. Dat heeft niets met klaarzetten of inlichten van doen, maar het betekent: allemaal goed geconserveerd.

Op een ander niveau komt de hertaling bij gewoontes en vooronderstellingen die voor ons niet meer leven. Een goede weg was vroeger een beschaduwde weg. Als er geen bomen langs een weg stonden, was die akelig. Maar hoe hertaal je dat een weg akelig is, enkel en alleen omdat er geen bomen zijn? En andersom: tientallen malen kwam ik tegen dat een weg welbeplant was. Hoe omzeil je dat nou? Je kunt niet zeggen dat de weg goed beplant is, want dan staan de bomen op de weg. Dus moet je je toevlucht nemen tot omschrijvingen als: er stonden mooie bomen langs de weg. Hoewel Van Lennep niet bedoelde dat er mooie bomen stonden, maar dat er bomen stonden die een prettige schaduw leverden.

Dan moeten de lange zinnen uit elkaar. Onze taal kan de spanning van een langgerekte hoofdzin met vele verschillende bijzinnen niet meer aan. Ik voelde me soms als een poelier die een kip meedogenloos in stukken hakt, als ik het geheel van een zin losbrak.

Als er in het verleden minder spellinghervormingen waren geweest en als er in Nederland meer waardering zou zijn voor de eigen literatuur, zou hertaling overbodig zijn. De realiteit is echter anders. Er komen steeds meer lezers met drempelvrees voor een oude tekst. Die zijn alleen maar over te halen met een modernisering. En dat allemaal voor de luie lezer die u niet bent.