De waarheid verdient het gerelativeerd te worden

De moderne Westerse mens leeft vanuit het besef dat op morele vragen geen pasklare antwoorden mogelijk of kunnen zijn, in de wetenschap dat zulke antwoorden in het verleden velen ongelukkig hebben gemaakt. Daarom verdient de relativering van de waarheid de voorkeur boven het verabsoluteren ervan, meent Thomas H. von der Dunk.

Met zijn bijdrage `Tegen het relativisme de waarheid'in deze krant van 17 oktober demonstreert het Kamerlid Rouvoet van de Christen-Unie van RPF/GPV moeite te hebben met de moderne tijd. De Westerse samenleving is voor hem een wereld in moreel verval, waartegenover hij zijn `eeuwiggeldende' christelijke `waarheid' plaatst. Zelfs worden ons andere culturen als lichtend voorbeeld voorgehouden, omdat die eveneens op het geloof in een bovenmenselijke orde zouden zijn gebaseerd, van het oude Egypte tot het taoïstische China.

Dat is merkwaardig, omdat toch niemand deze samenlevingen zal preferen boven de Europese, de meest humane die de mensheid tot dusver heeft gekend. Dat we haar daarvoor mogen houden, blijkt althans reeds uit de vele vluchtelingen en immigranten die hier een betere toekomst hopen te vinden, en voor een respectabel deel afkomstig is uit landen waar het geloof in een goddelijke waarheid de boventoon voert. Daarentegen is ook het aantal gereformeerd- vrijgemaakten dat zich blijvend in Teheran wil vestigen, in de praktijk betrekkelijk gering.

Dat Europa zo leefbaar is, is dan ook juist omdat het geloof in een absolute `waarheid' hier zo teruggedrongen is. Het is immers de verabsolutering van zulke waarheden die, onverschillig of zij nu optreedt in communistische of in christelijke variant, steeds zoveel ellende veroorzaakt. En het is de uit het besef dat `de waarheid' niet gekend kan worden, voortvloeiende tolerantie die - niet toevallig juist vanaf de Verlichting! - in het Westen zo'n ontzaglijke sprong voorwaarts heeft teweeggebracht, niet alleen in materiële welvaart, maar ook in alledaags welzijn. Het beschavingsoffensief dat toen werd ingezet, resulteerde bijvoorbeeld in de afschaffing van tortuur en lijfstraffen, van oudsher een favoriet disciplineringsmiddel van alle religieuze waarheidsadepten, van de inquisitie van de Kerk van Rome tot de sharia in menig islamitisch land.

Zeker, dat beschavingsoffensief was in Europa toen veelal ook het werk van christenen, maar wel van verlichte christenen, die de eigen geloofswaarheden begonnen te relativeren, niet die van een in haar dogmatische gelijk verstarde calvinistische of katholieke orthodoxie, die hierop niets anders wist dan om andersdenkenden met censuur en celstraf te dreigen, en met hel en verdoemenis bovendien. Het verschil in denkwijze tussen de gemiddelde imam in Iran en Joseph kardinaal Ratzinger is dan ook te overzien.

Anders dan Rouvoet of het Vaticaan, leeft de moderne Westerse mens namelijk vanuit het besef dat op morele vragen geen pasklare antwoorden mogelijk zijn en ook niet kunnen zijn, in de wetenschap, dat die pasklare antwoorden in het verleden zoveel mensen ongelukkig hebben gemaakt. Want dat laatste, en geen onkenbare `eeuwige' goddelijke waarheid, moet voor een waarlijk humane samenleving het criterium vormen, en daarom plaatste de Verlichting het recht om het eigen geluk na te streven centraal.

Het is een kwestie van leven en laten leven, en noch van het eerste, noch van het tweede hebben Rouvoet en de zijnen veel verstand. Dat betekent een voortdurend tasten en zoeken naar grenzen waarbij, bij alle onvermijdelijke menselijke misslagen, de keuzes vaak bewuster worden gemaakt dan voorheen, omdat niet gedachteloos kan worden teruggegrepen op een boek waarin een reeks van evangelisten voor de orthodoxe waarheidsgelovige van vandaag, de waarheid van tweeduizend jaar terug hebben genoteerd.

Daarin wortelt ook de tolerantie ten aanzien van andere samenlevingsvormen, die door Rouvoet als te ver doorgeschoten wordt betiteld, omdat deze hem – blijkens zijn exercitie over het homohuwelijk – het recht ontzegt om anderen hun levensgeluk te onthouden. Daarmee ontkent hij het meest basale grondrecht van de mens: namelijk het recht om te zijn en te worden wie men is. Zolang Rouvoet niet gedwongen wordt om zelf zo'n huwelijk te sluiten heeft hij aanmerkelijk minder reden tot klagen dan anderen in een volgens zijn rigide religieuze waarheid ingerichte, en daarmee voor velen onleefbare maatschappij.

Rouvoets klaagzang is destemeer misplaatst, wanneer men de geschiedenis van God in de afgelopen vijfduizend jaar beziet. De `grote verhalen' die hij zo mist hebben meer rampen dan zegeningen teweeggebracht. Geweld en terreur worden namelijk meestal veroorzaakt door twee soorten lieden, als we de `gewone' belangenconflicten terzijde laten: door lieden met te weinig moraal, en door lieden met te veel moraal.

De eerste groep, met de Saddam Husseins van deze wereld, spreekt voor zich. De tweede categorie behoeft meer toelichting. Zij omvat de gelovigen, die menen dat slechts één moraal bestaat. Elke religie claimt immers dat zij als enige de Waarheid, de Weg en het Leven heeft te bieden; zou zij de mogelijkheid open laten dat de Verlossing ook langs een andere route zou kunnen geschieden, dan verliest zij haar zin. De bij die religie behorende moraal wordt als universeel beschouwd en dient zodoende eveneens voor andersdenkenden te gelden. Intolerantie is daarmee in beginsel inherent aan het verschijnsel godsdienst zelf.

Nu valt met de meeste gelovigen best te leven, maar naarmate zij fanatieker zijn en hun waarheid verabsoluteren, pogen zij ook vuriger hun waarheid daadwerkelijk aan de ongelovigen op te leggen – und bist du nicht willig, so brauch' ich Gewalt. Alle heilige oorlogen, van de Kruistochten tot de Jihad, vinden in dit door Rouvoet zo aangeprezen geloofsuniversalisme hun oorsprong, waarbij het voor de moordlust niet uitmaakt of men zich op de bijbel, de koran of de thora beroept, zoals de nog dagelijks op tv te volgen duizendjarige slag om de Tempelberg duidelijk maakt.

Zonder dit morele fanatisme, voortvloeiend uit het onvermogen om met pluriformiteit om te gaan en de angst om daarmee de eigen geloofszekerheden te verliezen, zou de wereld heel wat vrediger zijn. Het is er daarmee tevens de hoofdoorzaak van dat de meeste religies, terwijl zij pretenderen de liefde te prediken, zich in hun meer fundamentalistische varianten naar buiten toe vooral doen kennen door tomeloze haat.

Het is daarom, omdat deze onverdraagzaamheid tot veel menselijke ellende heeft geleid, dat de relativering van de waarheid de voorkeur verdient boven de verabsolutering ervan. En het is daarom dat velen, in het besef van de menselijke onvolmaaktheid en van het onvermogen om enige hogere moraal buiten onszelf te kennen, er de voorkeur aan geven zich te richten naar de stadhouder van Rome die ooit, op de drempel van Goede Vrijdag, als enige temidden van de oude farizeeërs rond de hogepriester Kajafas en de nieuwe sectariërs rond Jezus van Nazareth het hoofd koel wist te houden, en zich de vraag stelde: `Wat is waarheid?' Het zijn, in het licht van wat uit naam van het geloof tussen het jaar nul en nu volgen zou, de meest verstandige woorden in het hele Nieuwe Testament.

Thomas H. von der Dunk is cultuur-historicus.

    • Thomas H. Von der Dunk