Verlies, afscheid en gemis

Maria Dermoût schreef om verlies, afscheid en gemis van Indië, haar geliefde en haar zoon het hoofd te bieden. Ze deed dat niet op een sentimentele manier, maar op een wijze die vertroosting biedt voor alles wat `voorbij is en niet voorbij'

Maria Dermoût heeft in de Nederlandse literatuur nooit de plaats gekregen die haar toekomt. Bij de grote schrijvers van de twintigste eeuw wordt haar naam niet genoemd. In letterkundige handboeken zoekt men veelal tevergeefs naar een bespreking van haar werk. Alleen binnen de Indisch-Nederlandse literatuur wordt haar bijzondere oeuvre naar waarde geschat. Dat is jammer, want Maria Dermoût is meer dan alleen een schrijfster over Indië. Hoewel haar romans en verhalen in het koloniale verleden gesitueerd zijn, hebben zij een veel algemenere betekenis. Alles wat zij schreef, is doordrenkt van het besef dat al het bestaande – de grote en de kleine dingen, liefde en dood, onheil en geluk – een alomvattende eenheid vormt die je de kracht kan geven verlies, afscheid en gemis te verdragen.

Haar volstrekt eigen stijl is een synthese van oosterse en westerse vertelwijzen: langzaam, melodieus, met veel herhalingen, bezwerend bijna, heel direct en toch verhullend, waarbij dan verrassend terloops iets grimmigs, iets verschrikkelijks wordt meegedeeld. Ze beheerst het geraffineerde spel van het wisselende perspectief en de goedgeplaatste vooruitwijzing, waardoor spanning en dreiging ontstaan. De unieke toon die zij na vele jaren oefening heeft bereikt, is mede te danken aan haar grote belezenheid in de oosterse filosofie en de westerse literatuur. Zij is allesbehalve de naïeve, sentimentele Indische sprookjesvertelster die sommige critici in haar hebben willen zien.

Het Verzameld werk van Maria Dermoût, voor het eerst verschenen in 1970, beslaat ruim zeshonderd pagina's: twee romans, vier verhalenbundels, enkele schetsen en een onvoltooid gebleven familiekroniek. Het hoogtepunt is De tienduizend dingen (1955), een roman die gesitueerd is op een eiland in de Molukken, waarin zonder moeite Ambon te herkennen valt. In dat verhaal van Felicia van Kleyntjes, de vrouw die haar zoon verloren heeft en proberen moet om verder te leven, heeft de universele thematiek van verlies en vertroosting de zuiverste uitdrukking gevonden.

Dat zij vooral als een Indische auteur wordt gezien, heeft zij natuurlijk ook aan zichzelf te danken. Niemand wandelt ongestraft onder de palmen. Wie is opgegroeid in Indië en eenmaal is weggegaan, raakt er nooit meer van los en voelt zich nadien verbannen uit het paradijs. Dat gold wel heel bijzonder voor Maria Dermoût, die de eerste helft van haar leven in Indië doorbracht, en later in Nederland die wrede tropische wonderwereld in haar romans en verhalen trachtte te evoceren. Over mensen zoals zij schreef ze in haar dagboek: `En al dragen zij geen heiligenkrans – zeker niet – geen van allen; hebben zij toch niet een klein aureool om hun hoofden, dat hun een zekere waardigheid geeft: het kleine aureool, de glans meer van de weemoed – niet de spijt – om alles dat voorbijgaat, ten onder gaat, altijd weer opnieuw? In zekere zin.'

Uit Geheim Indië, de biografie die Kester Freriks, medewerker van NRC Handelsblad, aan haar heeft gewijd, blijkt eens te meer dat het zoeken van de samenhang die vertroosting biedt, ook haar leven domineerde. Hij kreeg toegang tot materiaal – onder andere in familiebezit – dat tot dusver onbekend was: brieven, ansichtkaarten, aanzetten tot verhalen en een geheim dagboek, dat vroegere onderzoekers nooit in zijn geheel hebben kunnen raadplegen. Leven en werk zijn bij Maria Dermoût onlosmakelijk met elkaar verbonden, al zou het veel te simpel zijn om in haar werk een verkapte autobiografie te zien.

Verlies, afscheid en gemis vielen haar in ruime mate ten deel. Ze werd in 1888 geboren in Pekalongan, aan de noordkust van Midden-Java. Een half jaar later stierf haar moeder, onder nooit opgehelderde omstandigheden. Haar vader Frederik Ingerman hertrouwde met een veel jongere Duitse gouvernante, met wie Maria het niet kon vinden. In 1901 vertrok ze naar Nederland voor haar middelbare schoolopleiding. Daar, in Haarlem, vond ze haar grote liefde: Aldert Brouwer, jongere broer van de befaamde wiskundige. Uit vrees dat deze liefde tot een huwelijk zou leiden, haalde haar vader haar in 1906 voortijdig van het Stedelijk Gymnasium en nam haar mee terug naar Indië.

In het bergplaatsje Tosari, op Oost-Java, onmoette de achttienjarige Maria Ingerman de negen jaar oudere jurist Isaac Dermoût, met wie ze zich nog in datzelfde jaar verloofde. Niet lang na een slecht uitgevoerde blindedarmoperatie, waarvan ze de rest van haar leven de gevolgen zou ondervinden, trad ze in 1907 in het huwelijk. Isaac Dermoût, een wat stugge en gesloten ambtenaar met geldzorgen en een slechte gezondheid, viel bij vader Ingerman niet in de smaak.

Dan volgt een periode waarin Dermoût, via allerlei overplaatsingen, carrière maakt bij de rechterlijke macht. Ze blijven nooit langer dan een paar jaar op de zelfde plaats, en trekken zo rond in de Indische archipel. Het leven is duur, en elke overplaatsing kost geld. De onvermijdelijke veiling van het meubilair levert nooit genoeg op om zich elders weer opnieuw in te richten. Beider gezondheid laat te wensen over, en ook daaruit vloeien kosten voort, die een aanslag plegen op het bescheiden salaris. Dermoût hield niet van Indië, en keek uit naar de dag waarop hij de kolonie voorgoed kon verlaten.

Voor Maria, die er geboren en getogen was, lag dat anders. Vooral het verblijf op Ambon, van 1910 tot 1914, zou een onuitwisbare indruk op haar maken. Ze begon zich te verdiepen in de geschiedenis en de cultuur, ze verzamelde voorwerpen uit het verleden, ze luisterde naar de verhalen die er verteld werden. Ze ontmoette er een oudere Indische dame die aan de binnenbaai van Ambon een buitengoed bezat, dat in De tienduizend dingen `de tuin van Kleyntjes' heet. Deze Carolina van Aart stond model voor Felicia in het boek. Kester Freriks heeft het huis en de tuin, zoals ze er toen uitzagen, uitvoerig beschreven. Hoe de situatie nu is, weet ik niet, maar een paar jaar geleden stond het huis er nog, zij het niet in de oude staat. Hier en daar waren nog relicten van een eeuw tevoren te vinden, zoals versieringen van smeedijzer en Delfts blauwe tegels in de keuken. De tuin wordt nu doorsneden door een verkeersweg die naar het vliegveld van Ambon voert. Maar staande aan het water met de kabbelende golfjes kon ik mij voorstellen hoe er een prauw naderde vanuit de stad aan de buitenbaai, en hoe dan de slavenbel werd geluid. Precies zoals in die onvergetelijke roman - een van de mooiste boeken die ik ken - waaraan Maria Dermoût toen al begonnen moet zijn.

Toch kan men uit haar brieven volgens Kester Freriks niet concluderen dat ze op Ambon echt gelukkig is geweest. Ze had in 1908 een dochtertje gekregen, Ettie, en hier werd in 1910 haar zoon Hans geboren. Isaac was soms wekenlang van huis om recht te spreken op afgelegen eilanden, en klaagde over het `Indische sleurleven'. Het gezin kampte ook hier met gezondheidsproblemen. Maria ergerde zich aan de bekrompenheid van de kleine Europese gemeenschap, die ze op een afstand hield. Hoe belangrijk de Molukken waren voor de ontwikkeling van haar schrijverschap, zou ze pas later beseffen.

Van de vele standplaatsen die daarna nog volgden, zou vooral Djokjakarta, met zijn eeuwenoude hofcultuur, tot haar verbeelding blijven spreken. Van daaruit maakte ze tochten naar het hooggelegen Dièng-plateau met zijn hindoetempels, een `verleden land' dat duurzame impressies achterliet. De zwerftocht door de archipel, zo nu en dan afgewisseld door een verlof in Holland, eindigde ten slotte in Batavia, waar Dermoût zijn loopbaan bekroonde met de hoogste juridische positie die in Indië te vergeven was: president van het Hooggerechtshof. Kort daarop, in 1933, verlieten de Dermoûts Indië, om er nooit meer terug te keren.

In dit eerste, Indische deel van de biografie, baseert Freriks zich vooral op de brieven die Maria en haar man naar zijn tantes in Holland stuurden. Ze beschrijft heel nauwgezet de inrichting van de huizen waar ze woonde en doet ook verslag van haar dagelijkse beslommeringen, de geldzorgen, de ziektes, en het wel en wee van de kinderen. Zo kunnen wij ons ook nu nog een haarscherp beeld vormen van het leven van een jonge moeder in de tropen. Op een nacht, terwijl Maria haar dochtertje voedde, schuifelde een grote giftige slang de kamer binnen. Freriks laat dan zien hoe deze gebeurtenis later in haar werk getransformeerd werd, en welke rol de slang, geladen met betekenis, speelt in haar gehele oeuvre.

Ook als getrouwde vrouw zou Maria Dermoût haar grote liefde niet vergeten. Aldert Brouwer, inmiddels eveneens getrouwd, was hoogleraar in de geologie geworden. Tot op hoge leeftijd zou hij vele reizen maken. Zo kwam hij ook in Indië. In mei 1929 vond er tussen de vroegere gelieven een geheime ontmoeting plaats in een gastenverblijf aan de Wijnkoopsbaai aan de zuidkust van Java. Dermoût zou deze ervaring later verwerken in het verhaal `De Zuidzee', waarin een naamloze man en vrouw elkaar na vele jaren weerzien. Een jaar later scheidde Brouwer van zijn vrouw.

Toen de familie Dermoût zich in Holland vestigde, was Maria bijna vijfenveertig jaar. De kinderen waren inmiddels gaan studeren; dochter Ettie was al getrouwd. Zoon Hans verloofde zich met een meisje waar Isaac Dermoût het niet op begrepen had. Toen hij in 1936 in het huwelijk trad, waren zijn ouders daar niet bij. Drie dagen eerder waren zij naar Italië vertrokken. Maria heeft de starre houding van haar man altijd betreurd. Tussen haar en haar zoon trad een verwijdering op, die niet meer ongedaan werd gemaakt. Zij zou hem nooit meer terugzien. Tijdens de oorlog schreef zij hem vele nimmer verzonden brieven. Hij overleed in 1945 in een Japans burgerkamp op Sumatra. Verlies, afscheid en gemis, dat later zo prachtig gestalte kreeg in De tienduizend dingen, waarin Felicia's zoon Himpies sneuvelt door de pijl van een Berg-Alfoer op het eiland Ceram, en de moeder de doden herdenkt op Allerzielen, om daarna `opnieuw te proberen verder te leven.'

Bij de Slag om Arnhem, in september 1944, moesten de Dermoûts hun huis verlaten. Toen zij het terugvonden, bleek het geplunderd. Hun hele interieur, inclusief de vele Indische kostbaarheden die Maria had verzameld, was als `Liebesgaben aus Holland' naar Duitsland verzonden. Ook het manuscript van haar eerste roman, Nog pas gisteren, ging daarbij verloren, met al haar papieren en aantekeningen. Een tweede manuscript van de roman raakte zoek, zodat zij in 1946 opnieuw moest beginnen. `Vertroosting' is volgens Freriks nu het kernwoord geworden waarmee zij zich tegen het onheil trachtte te verweren. Opmerkelijk is dat de dekolonisatie van Nederlands-Indië, en de bittere strijd die daar toen gevoerd werd, nagenoeg aan haar voorbij ging (`politiek ben ik slecht geschoold', zou ze later zeggen).

Het begin van haar literaire loopbaan dankte zij aan de Arnhemse schrijver en criticus Johan van der Woude, die ervoor zorgde dat haar debuut, na afwijzende reacties van verschillende uitgeverijen, in 1951 bij Querido kon verschijnen. Nog pas gisteren is een indrukwekkend verhaal over haar vroegste jeugd op Java. Ze deed haar intrede in de letterkundige wereld, kreeg reacties van lezers en critici, die meer van haar wilden weten. Zo kwam ze in contact met Rob Nieuwenhuys en Tjalie Robinson. Vooral de brieven van de laatste, waaruit Freriks veelvuldig citeert, zijn de moeite waard. Hij wilde haar tot boegbeeld maken van de Indische gemeenschap, en trachtte haar over te halen haar werk voortaan bij zijn uitgeverij te publiceren, waardoor de potentiële lezers onder de gerepatrieerden beter bereikt zouden kunnen worden. (De ironie van het lot wil, dat een `chic bedrijf' als Querido, waartegen hij zich verzette, vele jaren later het Verzameld werk van zijn alter ego Vincent Mahieu zou uitgeven). Hij beschouwde haar als een Indische dame, die het gevaar liep te veel te verwestersen en haar geboorteland te verloochenen. Van Nederland moest Tjalie Robinson niets hebben: `Damn dit land van kaas en melk. Ik wil slapen met een mes naast mij, niet met een leeslampje. Ik wil waken met een geweer over mijn knieën, niet met een encyclopaedie. Ik wil rijden te paard, niet sjokken in een tram.'

Intussen was in 1952, na jarenlang verzorgd te zijn door zijn echtgenote die zelf ook niet sterk was, Isaac Dermoût overleden. Ze beschouwde hem meer als een kameraad dan als een geliefde. Het contact met de ongrijpbare Aldert Brouwer werd hersteld en groeide zelfs uit tot een obsessie. In de jaren vijftig hield Maria een geheim dagboek bij, waaruit niet alleen blijkt hoe kwetsbaar zij was, maar ook hoeveel zij van haar eerste liefde hield. Kester Freriks weet uit de talloze aangestreepte passages in de boeken die ze las één grote geheime brief aan hem te reconstrueren. Ook het dagboek was eigenlijk voor hem bestemd, maar ook dat heeft hij nooit gelezen. De brieven die zij hem schreef zijn later door zijn zoon vernietigd.

De laatste jaren van haar leven bracht Maria veel in Zwitserland door, waar zij iets van Indië herkende. De tienduizend dingen werd een internationaal succes, dat in vele talen werd vertaald. Het Amerikaanse weekblad Time beschouwde het zelfs als een van de beste boeken van 1958. Haar gezondheid bleef zwak, en de beslommeringen die haar literaire loopbaan met zich meebracht, ook de eerbewijzen, benauwden haar. Veel steun ondervond zij van Hans Warren, bij wie zij regelmatig logeerde en die haar ook in Noordwijk, waar ze de laatste jaren van haar leven woonde, kwam opzoeken. Daar is zij tenslotte in 1962 overleden.

In 1973 verscheen Maria Dermoût, de vrouw en de schrijfster, van Johan van der Woude. Dat was een chaotische en daardoor mislukte poging om de samenhang tussen haar leven en werk te laten zien. Waar Van der Woude faalde, is Freriks geslaagd. Geheim Indië is een liefdevol geschreven boek, waarin veel - maar niet alles - op zijn plaats valt. Raadsels blijven er nog genoeg. Waaraan is haar moeder nu precies gestorven? Was Maria Dermoût nu Indisch of niet? Zelf heeft zij dat altijd ontkend, maar ieder die haar ontmoette zag haar toch vooral als een voorname Indische dame. Wie ooit de grammofoonplaat beluisterde, waarop zij kort voor haar dood een prachtig verhaal voorlas, zal dat zangerige Indische accent ook opgevallen zijn.

Een bezwaar is dat Freriks wel heel dicht bij zijn onderwerp blijft. De historische en maatschappelijke context heeft hij niet uitgebreid willen schetsen, omdat die volgens hem niet zo relevant is. Hij lijkt zich vooral in Maria Dermoût zelf te willen verplaatsen, en de kritiek op haar werk, die hij niet uit de weg gaat, trekt hij zich bijna persoonlijk aan. Bovendien is er een aantal storende vergissingen. De Avonden van Gerard van het Reve verscheen niet in 1948, en Hella Haasses Oeroeg niet in 1949. De ligging van de buiten- en binnenbaai van Ambon, die toch cruciaal is, schijnt hem niet helder voor ogen te staan. Maurits VerHuell, de marineofficier die rondvoer in de Molukken, wordt verward met zijn oom Carel Hendrik, de admiraal. Ambon mag dan een bewogen geschiedenis hebben, het eiland is nimmer door Russische vliegtuigen gebombardeerd. Het onderscheid tussen het Maleis en het Petjoh – de mengtaal van de kleine Indo – wordt veronachtzaamd. En zo is er wel meer dat in een tweede druk gecorrigeerd zou moeten worden.

Deze vergissingen tasten de hoofdlijn van het boek echter niet aan. Maria Dermoût is een schrijfster van internationaal formaat, en het wordt dus hoog tijd dat zij in Nederland de aandacht krijgt die zij verdient. Daartoe bestaat nu volop de gelegenheid, want tegelijk met de biografie verscheen een heruitgave van haar Verzameld werk, waarvoor Freriks een nawoord schreef. In Geheim Indië heeft hij op overtuigende wijze gedetailleerd laten zien, hoezeer dat werk een poging is om verlies, afscheid en gemis van Indië, haar geliefde en haar zoon het hoofd te bieden. Ze deed dat niet op een sentimentele, tempo doeloe-verheerlijkende manier, maar op een wijze die vertroosting biedt voor alles wat `voorbij is en niet voorbij.'

Kester Freriks: Geheim Indië.

Het leven van Maria Dermoût (1888-1962). Querido, 304 blz. ƒ75,-

Maria Dermoût: Verzameld Werk. Met een nawoord van Kester Freriks. Querido, 684 blz. ƒ35,-