Vechters en dromers in het Witte Huis

Naïeviteit, optimisme en flaters, dat zijn maar enkele trefwoorden die kenmerkend zijn voor de vorige presidenten van de VS. Een leerzame analyse van het politieke bedrijf in Washington.

Bush of Gore? Even leek het alsof Ralph Nader triomfeerde. Hij kreeg de kiezers achter zich die de beslissing hadden kunnen brengen, waarschijnlijk in het voordeel van Gore. Het feestje van Nader zal voorbij zijn zodra de ingezonden stemmen zijn geteld van de marineman in Aden en de soldaat in Wiesbaden. Waarschijnlijk zullen zij deze bizarre slijtageslag gaan beslissen. Dan is het moment aangebroken waarop de `president elect' zich moet gaan voorbereiden op een taak die nog moeilijker is dan het winnen van een verkiezing. Hij kan beginnen Eyewitness to Power van David Gergen te lezen, een boek met een veel te bescheiden titel. De schrijver heeft zijn ervaringen als medewerker in het Witte Huis verwerkt tot fraaie karakterstudies van de presidenten Nixon (`The Stuff of Shakespeare'), Ford, Reagan en Clinton. Maar zijn boek is vooral een leerzame analyse van het politieke bedrijf in Washington, een fraaie aanvulling op het klassieke Presidental Power (verschenen in 1960 en talrijke malen herdrukt) van Richard Neustadt.

Gergen, die een journalistieke achtergrond heeft maar inmiddels als hoogleraar `public service' aan Harvard University college geeft, was vooral onder de presidenten Reagan en Clinton een belangrijk staflid. Als `spin patrol' droeg hij verantwoordelijkheid voor de contacten van het Witte Huis met journalisten, lobbyisten en ook Congresleden. Hij blijkt als weinig anderen het klappen van de zweep te kennen.

Een `president elect' moet volgens Gergen onmiddellijk beginnen de plannen voor te bereiden die hij na zijn inauguratie in januari uitgevoerd wil krijgen. Dat zal voor Bush of Gore een hele moeilijke taak worden, na een zege die te klein is om op het politieke krediet te kunnen rekenen dat een nieuwe president in zijn eerste jaar vaak krijgt. Ook de verhoudingen in het nieuwe Congres, dat is verdeeld in twee vrijwel even sterke kampen, bieden weinig ruimte voor initiatieven. Van de manier waarop Clinton in zijn beginfase opereerde, valt volgens Gergen te leren hoe het niet moet. Clinton verzuimde een team samen te stellen dat wist hoe meerderheden moeten worden georganiseerd. Hij stortte zich in een eindeloze reeks oriënterende kennismakingsbijeenkomsten die bij zijn gesprekspartners de indruk wekten dat de nieuwe president nauwelijks een notie had van wat hij wilde bereiken. Zijn belangrijkste doelstelling, de reorganisatie van de gezondheidszorg (tevens het pet project van Hillary), sneuvelde vroegtijdig na een reeks van onhandigheden.

Optimisme

Het oordeel van Gergen over Reagan is heel wat positiever en geeft blijk van een verfrissend gebrek aan vooringenomenheid. Meer dan tien jaar na het aftreden van deze president wordt hij nog altijd graag bekeken als de dombo die slaapwandelend twee ambtstermijnen doorstrompelde. Dat deze onnozele hals bij zijn aftreden kon bogen op een succesvolle staat van dienst, wordt zo ongelooflijk geacht dat dit resultaat eenvoudig wordt ontkend. Het laatste voorbeeld van dit intellectueel onbevredigende procédé is te vinden in het dit jaar verschenen Way Out There in the Blue van Frances Fitzgerald. Dit boek is een even langgerekte als mislukte poging om aan te tonen dat de bewapeningspolitiek van Reagan geen enkele bijdrage heeft geleverd aan de val van het Sovjetimperium.

Dit standpunt, zo schrijft Gergen, is onhoudbaar. Volgens hem bereikte deze president op drie politieke hoofdzaken wat hij zich bij zijn aantreden in 1981 ten doel had gesteld. Reagan boog de binnenlandse malaisestemming om in een klimaat van vertrouwen en optimisme. Hij voerde zijn economische programma van inflatiebestrijding en belastingverlaging uit. En tenslotte kwam het communisme kort na zijn aftreden terecht op de plaats waar dit systeem volgens hem thuishoorde: op de vuilnisbelt van de geschiedenis.

In zijn `State of the Union' van 1996 verklaarde president Bill Clinton: `The area of big government is over'. Hier klonk de echo door van het inmiddels gemeengoed geworden credo dat zijn voorganger en politieke tegenstander Reagan vijftien jaar eerder op de agenda had gezet. Natuurlijk, schrijft Gergen, Reagan heeft het vrije ondernemerschap niet uitgevonden. Maar wel heeft hij er na de economische stagnatie van de jaren zeventig een boost aan gegeven die internationale weerklank kreeg. Zijn kruistocht tegen big government heeft aan het begin van de eenentwintigste eeuw geleid tot een mondiale opmars van de vrije markt die voorlopig niet te stuiten lijkt.

De bijdrage van Reagan aan de ineenstorting van het Sovjetrijk is vergelijkbaar groot. Het is waar dat niet hij, maar Gorbatsjov het communistische systeem ontmantelde. Maar waarom nam deze Sovjetleider in het midden van de jaren tachtig zijn toevlucht tot een politiek die onbedoeld een einde maakte aan zijn imperium? Vooral uit economische noodzaak: het communistische systeem liep steeds meer vast. Een nieuwe koers kreeg echter pas politieke urgentie doordat Reagan met een militair en economisch-technologisch offensief de Sovjetleiding met de rug tegen de muur drukte.

Zijn in 1983 gelanceerde SDI-plan was een prominent onderdeel van die strategie: het high-tech vernuft van Amerika werd gemobiliseerd op een wijze die Moskou duidelijk maakte dat het de competitie tussen de twee ideologische systemen niet zou kunnen volhouden zonder interne hervormingen door te voeren. Zoals Gergen terecht schrijft: `It was Reagan who called the Soviets' bluff'. In West-Europa en Amerika werd het project vaak weggehoond, maar uit verklaringen die hoge Sovjetfunctionarissen achteraf hebben afgelegd blijkt dat men zich in Moskou een ongeluk schrok.

Het grote raadsel van Reagan is dat hij ondanks zijn beperkingen en tekortkomingen toch een succesvol president kon worden. Dat de man een dromer was die vaak niet wist waar hij het over had, is ook de mening van Gergen. Reagan, zo schrijft hij, `a second-class mind, but a first-class temperament'. Ook voor de president van de Verenigde Staten geldt dat het karakter de bestemming bepaalt. De sleutel tot het succes van Reagan bestaat volgens Gergen uit een combinatie van vasthoudendheid en gemoedelijkheid. Reagan mocht dan veel dingen niet begrijpen, een paar hoofdzaken begreep hij niet alleen heel goed, hij hield er ook consequent aan vast. Deze sense of purpose was gebouwd op zelfvertrouwen en innerlijke rust. De man was sereen, in zijn optreden `at ease' met zichzelf, blijk gevend van een onverwoestbaar optimisme in de mogelijkheden van Amerika. Zijn succes als redenaar berustte niet alleen op zijn kwaliteiten als acteur, maar ook op deze karaktereigenschappen. Reagan wekte altijd de indruk: ik ben die ik ben, U krijgt wat U ziet. Humor en zelfspot waren de aanvullende wapens.

Toen Clinton in de zomer van 1993 na een half jaar vol flaters de Republikein Gergen vroeg lid van de presidentiële staf te worden, was de eerste presidentiële vraag aan de nieuwe medewerker hoe Reagan zich uit deze moeilijke situatie zou hebben gered. Die vraag geeft volgens de schrijver van Eyewitness to Power precies aan wat het verschil is tussen deze presidenten: Reagan vroeg zich nooit af hoe een ander het zou hebben gedaan. Clinton, zo schrijft Gergen, is een man met enorme talenten maar zonder innerlijk kompas. Er is deze eeuw waarschijnlijk geen president geweest met een hoger IQ. De wervende kwaliteiten van Clinton als campagnevoerder zijn indrukwekkend. Ook beschikt hij over een imponerende vechtersmentaliteit en een aanstekelijke geestdrift. Maar zijn energie is vaak even ongericht als onuitputtelijk. Meestal moest Hillary hem op de rails houden. Die afhankelijkheid leidde volgens Gergen tot een soort co-presidentschap dat niet goed werkte. De zaak ging van kwaad tot erger toen Clinton de schuldgevoelens over zijn womanizing en zijn leugens compenseerde door Hillary de nog grotere rol te geven waar zij door een gebrek aan politieke touch niet tegen opgewassen was.

Smetten

Karakter en persoonlijkheid zijn belangrijk, maar politieke stuurmanskunst bepaalt evenzeer het succes van een president. Volgens Gergen wordt het belang onderschat van de leerschool die Reagan bij zijn aantreden als president achter de rug had als gouverneur van Californië. Een dergelijke ervaring, door George W. Bush in Texas opgedaan, is een prima voorbereiding op de in Washington zo belangrijke omgang met legislatuur en pers. Ook deed Reagan een goede zet door in het Witte Huis medewerkers te verzamelen die meer op competentie dan op politieke kleur waren geselecteerd. James Baker, afkomstig uit het kamp van Reagans concurrent voor de Republikeinse nominatie George Bush, werd hoofd van de Witte Huis-staf. Vooral dankzij zijn politiek-organisatorische slagvaardigheid aanvaardde het Congres het economische programma van Reagan. Toen Baker na vier jaar vertrok, ging het een aantal keren flink mis, met als dieptepunt het Iran-contra-schandaal.

Die affaire en het tekort op de begroting waren de smetten op een overigens geslaagd presidentschap. Het oordeel van Gergen over de prestaties van Clinton is veel kritischer, maar hij beschouwt deze president zeker niet als een mislukkeling. Er zijn meerdere wegen die naar succes kunnen leiden. Reagan maakte furore door een flink deel te bereiken van wat hij had aangekondigd. Clinton had nauwelijks een programma en voorzover hij het had slaagde hij er niet in het uit te voeren. Toch wist hij enkele belangrijke voorstellen door het Congres te slepen: er kwam een einde aan het begrotingstekort en er werd een accoord bereikt over de instelling van een vrijhandelszone met Canada en Mexico (NAFTA). Beide projecten waren van oorsprong Republikeinse plannen, maar Clinton had de souplesse om deze programmapunten over te nemen en er zijn eigen stempel op te drukken. Dankzij die wendbaarheid, die de keerzijde is van zijn gebrekkige sense of purpose, kon hij als de man van het balanced budget de eer opeisen voor een economische voorspoed die nu al bijna tien jaar voortduurt.

Ook in de buitenlandse politiek, zo had Gergen eraan toe kunnen voegen, leidde deze karaktereigenschap van Clinton naar succesvolle bestemmingen. De interventies in Bosnië en Kosovo waren, evenals de uitbreiding van NAVO, daden van formaat. Nog knapper was dat tegelijkertijd de delicate betrekkingen met Rusland en China niet werden bedorven. Dankzij zijn prestaties laat deze president een politieke erfenis achter die te ingewikkeld is om louter negatief te beoordelen. En die bewijst dat er meer dan één soort temperament is dat tot succes kan leiden: omdat succes meer dan één gezicht heeft. Zeker is dat de nieuwe president in de ingewikkelde verhoudingen van de eenentwintigste eeuw meer resultaten zal kunnen boeken met de alerte flexibiliteit à la Clinton dan met de vertrouwenwekkende vasthoudendheid die Reagan in een voorbije periode furore bracht.

David Gergen: Eyewitness to Power. The Essence of Leadership. Nixon to Clinton.

Simon & Schuster, 382 blz. ƒ75,–