Van kunstenaar naar schoenmaker

Op de gekste momenten schiet mij het beeld van de firma Rauwerda te binnen, de ijzerwinkel te Leeuwarden die het onderwerp vormt van een lofdicht van schrijver/dichter Kees 't Hart. Een labyrinth, op het oog een chaos, maar intussen een wonder van hoogstpersoonlijke ordening van de onogelijkste schroefjes en moertjes. Het lijkt me aannemelijk dat sommige laatjes in geen jaren worden geopend, maar ik stel me voor dat Rauwerda niet zou kunnen slapen als hij wist dat die leeg waren. Met de onderkast gaat het net zo. Die bevat boeken die je in geen jaren nodig hebt, maar de wetenschap dat ze er staan verzekert de nachtrust.

Soms vergeet men dat, en de straf is onmiddellijk. Eens, in een blinde bui, besloot ik mijn tweedelig Patristisch-Biographisch Woordenboek op de eerste zes eeuwen der Christelijke kerk te verkopen, in 1889 samengesteld door Alb. Van Toorenenbergen en H.G. Kleyn. Het stond er al zes jaar en ik had het nooit opgeslagen. Ik verkocht mijn woordenboek. Nog geen week later belde een uitgeverij of ik ter gelegenheid van het boekenweekthema `God' een klein lexicon wilde maken van kerkvaders, wat een ander woord is voor patristen. Godzijdank kon ik het nog terugkopen, sinds ik het lexicon voltooide, staat het ongebruikt in mijn onderkast en slaap ik weer als een os.

De trefwoorden van bovenstaande alinea zijn `(schijnbaar) nutteloos' en `lexicon'. Die trefwoorden zijn ook van toepassing op Koen Brams' Encyclopedie van fictieve kunstenaars. Van 1605 tot heden. Brams vroeg een stoet aan medewerkers (onder wie Piet Meeuse, Pietha de Voogd, Jacq Vogelaar, Barber van de Pol en vele mij onbekende Vlamingen) een lemma te schrijven over leven en werk van kunstenaars die voorkomen in romans en verhalen. Fictieve personen dus. Het eerste voorbeeld dat me te binnen schiet is de schilder Terpen Tijn uit de Marten Toonder-strip Tom Poes. Ik blader, maar Tijn wordt in de Brams-encyclopedie niet behandeld. Vind ik dat erg? Nee. Ondanks de ondertitel geloof ik ook niet dat in deze Encyclopedie van fictieve kunstenaars volledigheid wordt nagestreefd. In die zin is er een nogal groot verschil tussen dit naslagwerk en de ijzerwinkel die ik noemde.

Een essentiëler onderscheid tussen dit naslagwerk en de bezongen zaak in Leeuwarden is natuurlijk het nutsaspect. Bij Rauwerda wacht niets in de laatjes dat niet ergens voor gebruikt kan worden, de gebruikswaarde van Brams' Encyclopedie ligt minder voor de hand en het is beslist niet vreemd de vraag te stellen: `wat moeten we in godsnaam met dit boek, waar is het goed voor?' Wat schieten we op met bijvoorbeeld het lemma over V., de `licht surrealistische' schilder uit Patricia de Martelaeres De schilder en zijn model (1988)? We mogen er van uitgaan dat V. in de context van De Martelaeres boek iets betekent, maar daar is hij door Brams en de zijnen nu juist uitgelicht. En wat worden we wijzer van de levensbeschrijving van de zeventiende-eeuwse meester Mouton, een personage uit de mij volstrekt onbekende roman Das Leiden eines Knaben (1883) van Conrad Ferdinand Meyer? Hier begint er al iets te schuiven. Want ik zou toch niet graag hebben willen missen wat lemmaschrijver Dirk Pültau over deze fictieve meester meldt: `Mouton ging steeds vergezeld van een poedel die ook Mouton heette, en intelligenter was dan zijn baas. Na de dood van de poedel vertoonde diens naamgenoot spoedig symptomen van zinsverbijstering. Zittend voor zijn schildersezel sprak hij met de geest van de poedel, trok hondensmoelen of hapte net als het dier naar vliegen.' Deze passage roept meteen de wens op Das Leiden eines Knaben te lezen, en mocht het niet bestaan (waar je met een werk als Brams Encyclopedie van fictieve kunstenaars natuurlijk óók rekening mee moet houden) dan moet dit werk uit 1883 alsnog geschreven worden.

Hier doemt ineens een hele boekenkast vol ongeschreven werken op. Natuurlijk bevat die de niet-bestaande Cultuurgeschiedenis van de tent, een ongelofelijke omissie der historieschrijvers. Maar ook de Encyclopédie Perruqiere, een naslagwerk over pruik en kapper in heden en verleden, waarvan de omvang bij eventuele realisering op zesentwintig delen is geschat.

Je kunt in het licht van het nut voor 't algemeen twisten over de zin van het isoleren van één beroepsgroep uit de fictie der eeuwen, zeker als je dat doet op de manier waarop Brams c.s. dat hebben gedaan. Er zit iets willekeurigs aan. Want waarom niet de schoenmaker genomen? Je zou dan meteen op de intrigerende vraag zijn gestuit waarom in de hele Bijbel niet één lid van het schoenmakersgilde voorkomt, terwijl toch iedereen op sandalen loopt. Of waarom niet de slager genomen, de timmerman, de boer of de schrijver? Je kunt de vraag echter óók omdraaien, en ik geloof dat dat moet. Brams heeft het voortouw genomen door de fictieve beeldend kunstenaar uit te zoeken, en die te beschrijven in diens of dier uiteenlopende, historische context. We mogen hopen dat anderen hetzelfde doen met schoenmaker, slager, timmerman, boer en schrijver. Op die manier wordt het beeld compleet en krijgen al die uiteenlopende fictieve karakters de handen en voeten die ze verdienen.

PS. Er zijn andere vormen waarin men kan bijdragen tot de verwarring van fictie en werkelijkheid, zoals Brams dat ook heeft gedaan. Bij mijn leermeester thuis, de betreurde literatuurhistoricus Bernt Luger, zag ik een portret hangen dat de schilder Johan Doxa voorstelde, een fictief personage uit het werk van de Vlaamse auteur Herman Teirlinck. Ik zou heel graag eens een portret zien van de Bijbelse schoenmaker die ik noemde.

Koen Brams: Encyclopedie van fictieve kunstenaars. Van 1605 tot heden.

Nijgh & Van Ditmar, 447 blz. ƒ65,-