Van coma tot coma

Geerten Meijsing moet veel van zijn personages houden, want loslaten kan hij ze niet. Keer op keer duiken in zijn romans dezelfde namen op, telkens met een iets gewijzigde biografie. In zijn nieuwe roman Dood meisje komen we opnieuw Hovenier tegen, de na een aanslag op zijn leven in coma geraakte hoogleraar filosofie uit De ongeschreven leer, en diens assistent Kanger, ook al bekend uit nog vroeger werk. Enigszins raadselachtig is alleen de verwijzing naar Provenier, in twee noten bij de tekst. Was Provenier niet Meijsings alterego in De grachtengordel en Tussen mes en keel? In de nieuwe roman blijkt hij een poppenspeler te zijn, die van een `charmante vent uit Deventer' een wonderlijk verhaal hoort over Hovenier en een door hem in huis genomen escort-meisje.

Op ietwat jolige en soms oubollige toon leidt Provenier het verhaal in, dat zich afspeelt in de `gastvrije hanzestad', maar dat de personages ook naar Amsterdam voert, naar enkele psychiatrische klinieken, naar het Groninger ziekenhuis, en naar de nachtclubs en bordelen van Zuid-Duitsland. Toch domineert zijn toon niet de hele roman. Meijsing heeft dit aanloopje kennelijk nodig gehad om het passende register te vinden voor zijn geschiedenis van `de knekelman en het jonge meisje', die het midden houdt tussen een tragedie en een melodrama. Wanneer de verteller uit het zicht is verdwenen, doet Meijsing vooral zijn best de gevoelens van zijn lezerspubliek te mobiliseren, indachtig Hoveniers opmerking dat de roman ooit is ontstaan uit `het fermenteren van emoties'.

De `gebeurtenisssen' zijn minder belangrijk en kunnen zelfs een belemmering vormen, wordt daar nog aan toegevoegd. Veel in Meijsings roman is dan ook al bekend, niet in de laatste plaats uit zijn eigen werk, waarin fatale vrouwen, dood en erotiek tot de vaste bestanddelen behoren, terwijl op de achtergrond het hele romantisch-decadente gedachtengoed mee resoneert. In Dood meisje besteedt Meijsing er amper aandacht aan, een enkele verwijzing naar Wedekind en diens Lulu-drama's daargelaten.

De bizarre love story van de 62-jarige uit zijn coma herrezen Hovenier, die zich onder de schuilnaam `Gardenier' in Deventer heeft teruggetrokken, en de 17-jarige Lily Berstein heeft een andere geheime agenda, die aan Tussen mes en keel herinnert. Niet de late Romantiek, maar het tekort van de psychiatrie houdt Meijsing bezig. Lily blijkt namelijk aan een persoonlijkheidsstoornis te lijden, zij is een `borderliner', verstoken van innerlijke persoonlijkheid, geweten en verantwoordelijkheidsgevoel.

Wat Hovenier in eerste instantie een onweerstaanbare combinatie van verdorvenheid en onschuld had geleken, ontpopt zich als een ongeneeslijk ziektebeeld, dat door de psychiatrische behandeling die hij Lily opdringt, eerder wordt verhevigd dan verminderd. Zijn door dubbelzinnige liefde (hij is zowel haar `minnaar' als haar `surrogaatvader') ingegeven pogingen om haar uit de `onderwereld' van betaalde seks en drugs te redden pakken averechts uit.

Van coma tot coma, zo zou je deze roman kunnen samenvatten. Eerst is Hovenier in coma geraakt, na de aanslag op zijn leven door een sinister Plato-genootschap (zie De ongeschreven leer), tenslotte is het Lily die in een coma terecht komt, na haar zoveelste zelfmoordpoging. Daartussenin speelt zich het verhaal af van hun aanvankelijke euforie, de onvermijdelijke teloorgang daarvan, en Lily's terugkeer naar de `onderwereld', waaruit zij tot twee keer toe door Hovenier wordt verlost - met nauwelijks een gunstiger resultaat dan dat van Orfeus in diens mythe.

Ook de verwijzing naar Orfeus en Eurydice is natuurlijk niet erg verrassend, maar voor de impact van het boek maakt dat vreemd genoeg weinig uit. Meijsing schrijft voldoende indringend om je - althans voor de duur van het boek - in dit onwaarschijnlijke tweetal en het bijna onwereldse vacuüm waarin zij terechtkomen te laten geloven. De manische schijnwereld van Lily, opgebouwd uit film, reclame en merkartikelen, sluit goed aan bij de ontgoocheling van Hovenier.

Na zich een leven lang aan Plato te hebben gewijd, als directeur van een karikaturaal `Instituut voor het neopytagoreïsche onderzoek naar de praesocratische en neoplatoonse bronnen van Plato', is hij tot de ontdekking gekomen dat het leven `zinnelijk' is en niet `cerebraal'. Willens en wetens gaat hij mee in haar dagelijkse jacht op `kicks' en `intensiteit'. Een eeuwig heden, zonder toekomst of verleden, is hun breekbare domein, dat in een wagneriaans aandoende Liebestod (euthanasie als ultieme daad van liefde) zijn bestemming vindt.

In zijn autobiografische roman Tussen mes en keel heeft Meijsing gedemonstreerd dat hij de schaamte voorbij is. In deze roman gaat hij nog een stapje verder. Hij is inderdaad zoiets als een poppenspeler geworden, de beheerder van een marionettentheater, iemand die nu ook van literaire schaamte geen enkele last meer lijkt te hebben. Daarvan getuigen niet alleen de melige grappen die de schrijver zich veroorlooft (`Hovenier ging graag uit zeilen met stuurloze meisjes'), maar ook de even pathetische als clichématige ingrediënten (hoertje door oudere minnaar uit `het leven' gehaald, haar recidive, zijn wanhoop, zij aan de coke, hij aan de drank, beiden aan de antidepressiva) van zijn roman.

Alleen aan het slot speelt het literaire geweten Meijsing nog even parten, wanneer hij uit de beginregels van de hoofdstukken een `stele' (volgens Van Dale: een oudgriekse grafzuil met inscriptie) bijeen dicht, waarin de thematiek van zijn roman wordt samengevat. Alsof hij zijn lezers wil laten weten met zijn gêne nog niet zijn vakmanschap te zijn kwijtgeraakt. Literatuur blijft een kwestie van vorm. Maar ondertussen laat Meijsing doodgemoedereerd de bodem van zijn trukendoos zien en daagt hij diezelfde lezers uit om te ontkennen dat hij hen desondanks heeft weten te raken.

Geerten Meijsing: Dood Meisje. De Arbeiderspers, 295 blz. ƒ39,90