Stemgedrag VS bevestigt oordeel over Clinton

De uitslag van de Amerikaanse presidentsverkiezingen laat nog even op zich wachten. Wie de kiezer is en op grond van welke motieven hij heeft gekozen, is dankzij de landelijke exit polls, peilingen bij de uitgang van de stembureaus naar het stemgedrag, verhelderd. Gore wordt verweten de economische `Clintonboom' niet te hebben verzilverd in een klinkende overwinning met Democratische meerderheden in beide huizen van het Congres. Ook zou hij een fout hebben gemaakt door de zittende president zoveel mogelijk uit zijn campagne te bannen. De vraag is of die kritiek hout snijdt.

De economie is voor de kiezer zeker nog een belangrijk gegeven. Van de ondervraagden meent 68 procent, onder wie een stevig segment Bush-kiezers, dat Clinton een verantwoord economisch beleid heeft gevoerd. Een meerderheid vindt de huidige stand van de economie niet goed en verwacht in het komende jaar een verslechtering. Het bezit van aandelen meldt zeventig procent van de ondervraagden, 43 procent van de ondervraagden toont zich bezorgd over de ontwikkelingen op de beurs. De tevredenheid over de economie van de afgelopen jaren lijkt om te slaan in zorg voor de toekomst. Opmerkelijk is dat die zorg sterker is onder Gore- dan onder Bush-kiezers. Het optimisme van Bush lijkt het te hebben gewonnen van de zichtbare prestaties van de regering-Clinton.

Gore had twee redenen om Clinton op afstand te houden. De vice-president wilde onder de schaduw van zijn `baas' uitkomen en zijn eigen man zijn. Dat probleem hadden ook vroegere vice-presidenten die het hoogste ambt ambieerden: Hubert Humphrey die zich in 1968 trachtte te distantiëren van de Vietnampolitiek van Johnson, hoewel hij deze vier jaar lang loyaal had gesteund. In 1988 had Bush sr. het moeilijk met het overheersende imago van de in de Koude Oorlog zegevierende Reagan. Maar bij Gore was er meer. Het Lewinsky-schandaal en Clintons aanvankelijke weigering de waarheid te spreken hadden hem diep getroffen. De vice-president toonde zich allergisch voor verwijzingen naar die episode en zag af van het mobiliseren van het charisma van de president.

De goegemeente meent inderdaad dat de schandalen rondom Clinton zijn plaats in de geschiedenisboeken zullen markeren, eerder dan zijn leiderschap. Maar in haar eigen reactie overheerst toch het schouderophalen. Overigens overheerst dezelfde houding ook ten opzichte van het late nieuwtje in de campagne over de arrestatie jaren geleden van Bush wegens rijden onder invloed. De Amerikaanse kiezer toont zich vergevingsgezind bij menselijke zwakheden van zijn politici. Zeventig procent laat weten dat Clinton geen factor was bij het uitbrengen van zijn stem.

Een andere vraag is of Bush heeft geprofiteerd van een conservatieve golf in de Amerikaanse samenleving. Een aantal uitspraken wijzen daarop. Voor een conservatiever beleid dan onder Clinton kiest 46 procent, voor een deel Gore-stemmers, voor een progressievere aanpak kiest 10 procent, onder wie Bush-stemmers. Gevraagd naar het ideologische motief bij het uitbrengen van de stem noemt 20 procent zich progressief, vijftig procent gematigd en 29 procent conservatief. In de laatste groep overheerst de Bush-aanhang.

Regelmatig kerkbezoek doet zich voor bij ruim veertig procent. Bush scoort in deze groep beduidend hoger dan Gore, vooral onder blanken van protestantsen huize. Religieus rechts haalt intussen niet meer dan 14 procent, ook deze groep richt zich vooral, maar niet uitsluitend, op de gouverneur van Texas. Legalisering van abortus mag op de steun van een meerderheid rekenen, het verzet daartegen zit bij de Bush-kiezers. Vier procent van de ondervraagden noemt zich homofiel. Zij stemden overwegend voor Gore. Terwijl 43 procent van alle ondervraagden Gore te progressief acht, vindt 34 procent Bush te conservatief. De man die moraliteit in de politiek tevergeefs tot de waterscheiding in de campagne heeft proberen te maken, de Republikein McCain, scoort in de Bush-aanhang hoog. Van alle ondervraagden noemt 34 procent zich een aanhanger van McCain.

Andere gegevens bevestigen de geijkte verhoudingen in de Amerikaanse politiek. Vrouwen stemden vaker op Gore, mannen op Bush. Etnische minderheden stemden vaker op Gore dan op Bush met een topscore onder afro-Amerikanen. Leeftijd maakte weinig verschil, maar bij de senioren en de eerste lichting kiezers had Gore een voorsprong. Bush won marginaal in de categorie afgestudeerden van het middelbaar en hoger onderwijs, Gore lag op kop bij groepen met het minste en het meeste onderwijs. Naarmate het inkomen hoger lag, neigde de kiezer naar Bush.

Gehuwd was 65 procent, gehuwd met kinderen 31 procent. Bush deed het beduidend beter dan Gore in beide groepen. Werkende vrouwen hielden het op Gore, huisvrouwen, vooral blanke huisvrouwen, op Bush. Overigens ontkende 69 procent een werkende vrouw te zijn. Vakbondsleden blijken in de Amerikaanse samenleving dun gezaaid. Zij zijn overwegend voor Gore, maar niet uitsluitend. Bush blijkt over een eigen aanhang in die sector te beschikken. Gore scoorde, analoog aan de verhouding na genoten onderwijs, bij de Upper en Working Class, Bush bij de middengroepen. De onderklasse liet geen spoor achter in de aanhang van beide rivalen.

Het internet, een speeltje van Gore, maakte weinig verschil. Regelmatig gebruiker noemde 64 procent zich, Bush scoorde onder deze groep zelfs iets hoger dan zijn rivaal, Gore deed het beter bij de niet-gebruikers. Een andere liefhebberij, het bezit van schiettuig, wordt vooral gevonden bij de Bush-aanhang.

De zwevende kiezer heeft de afgelopen weken de commentaren beheerst. Maar nog voor oktober had 69 procent zijn keuze bepaald, 11 procent pas in de laatste drie dagen van de campagne. De verdeling over beide kandidaten is nagenoeg gelijk. Het moet de nauwe marge tussen beide kandidaten zijn geweest die de zwevende kiezer zo belangrijk heeft gemaakt.

Gevraagd naar het belang van verschillende thema's zetten de ondervraagden de economie en banen bovenaan, gevolgd door zorg en onderwijs, belastingen en internationale betrekkingen. Op dit laatste punt krijgt Gore meer vertrouwen dan Bush. Anderzijds: politieke thema's scoren bij de ondervraagden belangrijk hoger dan de kwaliteit van politici. Terugkerend naar de moraliteit in de politiek blijkt uit de peiling dat de ondervraagden bijna twee keer zoveel belang hechten aan het bestuurlijk vermogen van een president dan aan zijn morele leiderschap. In zoverre bevestigt de score het oordeel over Clinton.

J.H. Sampiemon is commentator voor NRC Handelsblad.