Opzij voor de allochtone meisjes

Het denken en doen van autochtone scholieren is in allerlei opzichten behoudender dan dat van allochtone scholieren. Het gedrag van allochtone ouders biedt een mogelijke verklaring voor dit opmerkelijk verschil.

Jongens en meisjes hebben een probleem: ze zijn het in de verste verte niet met elkaar eens over de gewenste taakverdeling tussen man en vrouw in hun toekomstig huishouden. Meisjes willen zowel het betaalde werk buitenshuis als het huishouden veel gelijker verdelen over beide partners dan jongens. Slechts over beider bijdragen aan de opvoeding van kinderen bestaat overeenstemming: een overweldigende meerderheid wil dat samen doen.

Bijna driekwart van de meisjes wil blijven werken als er kinderen komen. De helft van de jongens vindt echter dat zij als man alleen de kost zouden moeten verdienen. Meer dan de helft vindt dat hun vriendin of vrouw in haar eentje voor het huishouden moet zorgen. Minder dan een derde van de meisjes is het daarmee eens.

Het zijn maar een paar van de verschillen die de Emancipatiemonitor 2000, opgesteld door het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP)en het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS), registreert. Het zijn de resultaten van een enquête onder middelbare scholieren, gehouden in 1999. De Emancipatiemonitor is een overzicht van de stand van zaken in het emancipatieproces, door het SCP en het CBS opgesteld op verzoek van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

Scholieren blijken traditioneler in hun opvattingen dan degenen die tien à vijftien jaar ouder zijn dan zij. Dat is minder opvallend dan het lijkt: scholieren, in tegenstelling tot studenten, blinken zelden uit in radicale opvattingen over man/vrouwrelaties. Dat is begrijpelijk, want de enige voorbeelden die ze echt goed kennen, zijn die van de generatie van hun ouders.

Opmerkelijker dan de behoudende opvattingen van jongeren in het algemeen is dat autochtone Nederlandse jongeren op de meeste punten traditioneler denken dan hun Surinaamse, Antilliaanse én Marokkaanse leeftijdgenoten. Turkse jongens onttrekken zich aan dat patroon en denken over het algemeen juist traditioneler.

Van de Nederlandse meisjes wil gemiddeld 69 procent dat beide partners werken, bij allochtone meisjes ligt dat percentage veel hoger: 77 procent voor Marokkaanse, 78 procent voor Turkse en 81 procent voor Surinaamse en Antilliaanse meisjes. De toekomstwensen van de jongens sluiten daar op geen enkele manier op aan. Van de Nederlandse jongens wil 51 procent dat beide partners werken, bij Surinaamse en Antilliaanse jongens ligt dat percentage enkele punten hoger, bij Marokkaanse en vooral bij Turkse jongens een stuk lager 42 respectievelijk 35 procent.

Zowel bij de meisjes als bij de jongens hechten de Turkse scholieren het meest aan een traditionele rolverdeling in het huishouden. Maar ook bij hen zijn de verschillen tussen jongens en meisjes immens: zo'n zestig procent van de meisjes wil het huishouden samen doen, tegen nog geen dertig procent van de jongens. Dat verschil tussen jongens en meisjes is bij Turken groter dan bij enige andere etnische categorie.

Het meest opvallend zijn de opvattingen van Marokkaanse jongeren. Niet alleen de meisjes, maar óók de jongens wensen een gelijkere taakverdeling in het huishouden dan hun Nederlandse leeftijdgenoten. Van de Nederlandse meisjes wil ruim zestig procent het huishouden samen doen, van de Marokkaanse meisjes ruim zeventig procent. Van de Nederlandse jongens wil veertig procent het samen doen, van de Marokkaanse jongens vijftig procent.

De emancipatoire voorsprong die allochtone jongeren aan het nemen zijn op hun Nederlandse leeftijdgenoten blijft niet bij denken, maar komt ook naar voren in doen, vooral bij meisjes. Allochtone meisjes kiezen meer dan Nederlandse meisjes vervolgopleidingen met een breder beroepsperspectief. Nederlandse meisjes kiezen in sterkere mate voor opleidingen die tot traditionele vrouwenberoepen leiden of voor beroepen in sectoren waarin veel vrouwen werken. Zulke beroepen worden relatief slecht betaald en bieden weinig carrièreperspectief.

Van Surinamers en Antillianen verbazen de relatief geëmancipeerde opvattingen niet echt: in die bevolkingscategorieën is men gewend aan zeer zelfstandige vrouwen. Het zijn met name de antwoorden uit Marokkaanse kring die als verrassend mogen gelden, omdat in deze categorie traditioneel een sterke seksesegregatie bestaat.

Wellicht bieden de opvattingen van volwassenen een aanknopingspunt voor een verklaring van deze `sprong voorwaarts', hoewel dat verband in het rapport niet wordt gelegd. Marokkaanse mannen hebben van alle etnische categorieën verreweg de meest traditionele opvattingen over de taakverdeling tussen man en vrouw, aanzienlijk traditioneler dan Turkse mannen en heel veel traditioneler dan Nederlandse, Surinaamse en Antilliaanse mannen, die elkaar weinig ontlopen. Marokkaanse vrouwen denken weliswaar aanzienlijk traditioneler dan Nederlandse, Surinaamse en Antilliaanse vrouwen, maar niet traditioneler dan Turkse vrouwen.

Bij de Marokkanen is het contrast in opvattingen van mannen en vrouwen het grootst. Neem boodschappen doen: bijna de helft van de Marokkaanse mannen vindt dit een taak voor hen, minder dan een kwart van de vrouwen is het daarmee eens. Driekwart van de vrouwen wil ook boodschappen doen: die willen de deur uit. Waarschijnlijk koesteren Marokkaanse vrouwen van alle etnische categorieën dus de meeste niet-gerealiseerde ambities.

Het ligt voor de hand dat die vrouwen deze ambities doorgeven aan hun kinderen. Zulk `overerven' van ambities is een bekend mechanisme, ook onder Nederlanders. Zo drukten veel in de jaren dertig en veertig geboren vrouwen die zelf niet de gelegenheid hadden gekregen hun intellectuele capaciteit te vertalen in een bijpassend onderwijsniveau, hun kinderen op het hart vooral hun kansen te grijpen op school. Bij Marokkanen, en in mindere mate bij Turken, vertalen die aan kinderen doorgegeven niet-gerealiseerde ambities van moeders zich niet alleen in sociale stijging, maar ook in modernere opvattingen over relaties tussen mannen en vrouwen.