Op klompen door de mitsen en maren

Hoeveel paarden passen er in een voetbalstadion? Minstens duizend, meende Carel Briels, organisator van massa-evenementen. En dan was er nog ruimte voor de 150.000 toeschouwers die, verdeeld over een week, zijn spectaculaire heropvoering van de Slag bij Waterloo zouden komen bijwonen. Het in het Nijmeegse Goffertstadion op te voeren spektakelstuk had het hoogtepunt moeten worden van het feestjaar 1963, waarin Nederland het honderdvijftigjarig bestaan van het Koninkrijk herdacht. Briels' plannen werden echter tegengehouden, volgens hemzelf door de voorzitter van het herdenkingscomité, prinses Beatrix. De Slag bij Waterloo was bij nader inzien een veel te gewelddadig onderwerp voor een herdenking waarin juist de Europese eenheid, verzoening en een glanzende toekomst centraal zouden moeten staan.

Dus werd de voorstelling omgedoopt in `De Tuin van Europa', een onderwerp dat uiteindelijk slechts 20.000 mensen naar het stadion lokte. Volgens Briels door de regen en alle tegenwerking, volgens anderen door 's mans eigen incompetentie. De avond van de slotvoorstelling eindigde in vechtpartijen rondom Briels, bij wijze van voorafschaduwing van de juridische conflicten die de volgende weken zouden ontstaan over de vraag wie de rekeningen moest betalen.

De mislukte `Tuin van Europa' komt aan de orde in Het zoet en het zuur. Geschiedenis in Nederland, waarin de Utrechtse historici Leen Dorsman, Ed Jonker en Kees Ribbens onderzoeken hoe de verhouding tussen de Nederlander en het nationale verleden in elkaar steekt. Briels' fiasco laat zien hoe in 1963 werd geworsteld met de vorm van een nationale herdenking. De klassiek-nationalistische vorm voldeed niet meer; het verlangen naar een gezamenlijke Europese toekomst werd voorop gesteld. In later jaren kwam daar bovendien de opmars van door het socialisme geïnspireerde historici bij, die het grootscheeps memoreren van nationale verdiensten in het algemeen een erg slecht idee vonden. Zoals `vaderlandse' geschiedenis meer in het algemeen werd gezien als schoolvoorbeeld van eenzijdige, door nationalistische sentimenten voortgestuwde historiografie.

De laatste jaren lijkt die laagconjunctuur van de Nederlandse geschiedenis voorbij. Vergezeld door alarmerende berichten over de tekortschietende historische kennis van vooral jongeren en volksvertegenwoordigers is het vaderlandse verleden herontdekt. Maar de overtuiging dat Nederlanders niet in staat zijn hun verleden op een behoorlijke manier te herdenken, staat nog altijd recht overeind. Zozeer dat het eigenlijk alweer een cliché is geworden. Clichés zijn vruchtbare beginpunten van historisch onderzoek en het is dan ook verstandig dat Dorsman, Jonker en Ribbens de zo veelvuldig gesignaleerde geringe herdenkingskracht van de Nederlander, als uitgangspunt van hun boek hebben genomen.

Ze verzetten zich tegen de `borreltafelwijsheid' dat het historisch besef in Nederland na de Tweede Wereldoorlog zou zijn afgenomen en doen dat vooral door onderscheid te maken tussen drie soorten historisch besef: een persoonlijke soort die soms neigt naar nostalgie, een meer groepsgebonden band met het verleden die bijvoorbeeld door groepen wordt gebruikt om hun eigen identiteit te benadrukken en tenslotte de historische herinnering als cultuurgoed, de duurzame en collectieve herinnering. Ze komen in achtereenvolgens hoofdstukken over `Domineesland', `Museumland' en `Klompenland' aan de orde. Niet om een strakke scheiding of een hiërarchie aan te brengen, haast het drietal zich in het begin te zeggen, maar juist om de wisselwerking te tonen.

Dat klinkt verstandig, en heeft ook verstandige resultaten. De auteurs laten zien hoe bijvoorbeeld de historische herdenkingswoede van de negentiende eeuw, voor een belangrijk deel samenhing met twisten in de samenleving en de emancipatiewensen van bijvoorbeeld de katholieken. En ze maken inzichtelijk dat de moeizame houding van de Nederlandse elite tegenover `nationalistische' strijd uit het verleden, zoals die naar voren kwam uit het drama rond Briels `Tuin van Europa', niet hoeft te betekenen dat de hele bevolking zijn belangstelling voor het verleden heeft verloren.

Ondanks dergelijke nuttige nuanceringen is Het zoet en het zuur geen goed boek geworden. In de inleiding stellen de auteurs dat hun werkwijze het best gekarakteriseerd kan worden als `methodisch impressionisme'. Helaas bijten het methodische en het impressionistische aspect elkaar. Wanneer de auteurs eens iets aardigs impressionistisch beweren, wordt er dadelijk zo'n karrenvracht mitsen en maren over uitgestort, dat de gedachte doodslaat. En als er eens een methodische onderverdeling in categorieën wordt gemaakt, tonen de auteurs zo overtuigend aan dat de betreffende categorieën samenhangen, elkaar beïnvloeden en gedeeltelijk overlappen, dat de lezer zich afvraagt of die onderverdeling eigenlijk wel zinnig was.

Waarschijnlijk heeft het boek geleden onder het driekoppig auteurschap. De schrijvers zullen elkaars bijdragen met zoveel streepjes in de kantlijn hebben genuanceerd, dat er nauwelijks nog een bewering overblijft. Aan het einde van het boek concluderen Dorsman, Jonker en Ribbens: `Geschiedenis kan samenbinden en verdelen, opwekken tot tolerantie en tot wraakzucht. Soms is ze uitzichtloos, dan weer hoopvol. Welke functie historische voorstellingen op enig moment voor deze of gene hebben, is afhankelijk van een steeds wisselend samenspel van collectieve factoren en individuele beleving.' Met die conclusie is de lezer na tweehonderd bladzijden niet veel opgeschoten.

Leen Dorsman, Ed Jonker en Kees Ribbens: Het zoet en het zuur. Geschiedenis in Nederland. Wereldbibliotheek, 223 blz. ƒ39,50