Op de klif aan elkaar ruiken

Het bijzondere van kinderboeken is niet vooral dat ze voor kinderen geschreven zijn, maar dat allerlei genregrenzen en waarschijnlijkheidsregels er niet in van toepassing lijken. In kinderboeken mag onbekommerd gefantaseerd worden – en dan bedoel ik niet alleen de gebruikelijke verzinsels als pratende konijnen en geklede beertjes, maar er kunnen gewoon engelen in optreden of spoken, er kan een meisje bestaan dat geen armen maar vleugeltjes heeft, dode kinderen geven verhalen door, er zijn toverballen en -spreuken en iedereen doet of dat allemaal vanzelf spreekt. Niet alleen de personages in het verhaal, maar ook de lezers.

Wil een schrijver van literatuur voor volwassenen een spook introduceren dan moet hij of zij wel goed oppassen om niet meteen op de plank `Fantasy' te komen staan met een zwart met gouden omslag en rode druipletters. In kinderboeken heet fantasie nog gewoon fantasie. Dus kan er ook een jongetje geboren worden met een onwaarschijnlijk groot hoofd waarin zijn hersens zoemen en een lijfje zo groot als een augurk, met een snavelneus en bijzondere groene ogen. Waarom niet. Zo raar is dat trouwens helemaal niet. Zo'n jongen kan steeds meer opschuiven van een `gewoon' eigenaardig kind naar een fantasiewezen uit een andere wereld. In Vleugels voor Jorre laat Harm de Jonge dat gebeuren. Het verhaal wordt verteld door de oude onderwijzer van Jorre, en waar het eerst Dik Trom-achtig is, wordt het geleidelijk aan vreemd.

Behalve een bijzonder uiterlijk, en het vermogen om mensen rillingen te bezorgen door ze aan te kijken, of, als hij wat groter is, ze te genezen door een enkele simpele handeling, heeft Jorre ook een bijzondere vriendschap. Het meisje Bonnie kent hij al van toen ze beiden zuigelingen waren. Jorre mocht, omdat hij ondanks zijn kleine lijfje zo buitensporig veel at, ook vaak aan de borst van Bonnies moeder. Bonnie is groot en mooi en heeft `korenblauwe' ogen waar Jorre graag in kijkt. Ze ruikt ook lekker, naar zee. En Bonnie op haar beurt wordt rustig van Jorres ogen. Ze zijn onafscheidelijk.

Tot zover niets aan de hand. Integendeel zelfs. Het boek begint op aanstekelijke toon, moeder Floor verzint fijne troetelwoorden voor haar zoontje als `ruige dubbelzuiger, frisse garnaal, malse grootkopper' en het verhaal is onbekommerd en sprookjesachtig.

Wat zijn kinderboeken toch prettig, kan de lezer denken.

Maar zo mooi blijft het niet. De vriendschap tussen Jorre en Bonnie bestaat eigenlijk steeds maar uit samen op de klif zitten en aan elkaar ruiken en naar elkaar kijken. En uit de verhalen van Jorre over het `Vogeleiland' waar de `Vogelmensen' wonen. Onwaarschijnlijke verhalen. Wat niet erg is, zoals gezegd, want het is een kinderboek, maar ook binnen dit boek, waarin Jorrre zelf met zijn snavelneus en zijn waterhoofd en zijn onafscheidelijke Bonnie niét onwaarschijnlijk is, is dat Vogeleiland met die Vogelmensen dat wel. Toch worden we als lezers geacht erin te geloven. En zelfs moeten we geleidelijk aan denken dat Jorres vader een Vogelmens was, zonder dat zijn moeder daar dan maar iets van gemerkt heeft. Die herinnert zich een erg knappe man met zwart haar die er op een avond zomaar was en die de volgende dag weer weg was. Nooit meer gezien.

Die herinnering van moeder Floor is mooi en mythisch genoeg, het is spijtig dat Jorre, en Harm de Jonge, dat allemaal zo nodig in moeten vullen met die Vogelmensen. Dat maakt het boek een beetje draderig en zeurderig.

Uiteindelijk wordt er gesuggereerd dat Jorre en Bonnie op een dag op dat Vogeleiland zijn aangekomen, maar wij lezers moeten gewoon thuis blijven in het dorp. Onbevredigend is dat. De grens tussen werkelijkheid en fantasie wordt hier weliswaar mooi luchtig overgestoken, maar het gefantaseer loopt uit de hand. Jorre had beter met zijn kleine kromme beentjes op de grond kunnen blijven.

Harm de Jonge: Vleugels voor Jorre. Van Goor, 112 blz. ƒ25,–

    • Marjoleine de Vos