Onhandige rebel

Weinig schrijvers hebben zozeer hun best gedaan zich van hun vaderland los te maken als de Poolse schrijver Witold Gombrowicz – zonder daarin volledig te slagen. In zijn schitterende Dagboek wemelt het nog altijd van de kritische passages over `Polen'. Gombrowicz verwijt zijn landgenoten hun bekrompen provincialisme, hun steriele trouw aan het `grootse' verleden, hun onvermogen de werkelijkheid – ook na de verschrikkingen van een wereldoorlog – onder ogen te zien.

Toen hij in 1953 met zijn Dagboek begon, woonde hij toch alweer veertien jaar in Argentinië, waar hij tijdens een bootreis was verrast door het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog. Hoe goed het hem er beviel, ondanks een chronisch gebrek aan literaire erkenning, bleek uit zijn roman Trans-Atlantisch (1951), waarin de held op provocerende wijze het `vaderland' inruilt voor het nieuw verworven `zoonland'. Argentinië was voor Gombrowicz het land van de `jeugd' en van de `onrijpheid', de tegenpolen van de `vorm' die zijn andere levenslange obsessie uitmaakte.

Niettemin bleef hij in het Pools schrijven, aanvankelijk alleen gelezen door mede-emigranten. Ook na zijn terugkeer naar Europa in 1963 presenteerde hij zich bij voorkeur als een Pools auteur, die nadrukkelijk de `barbaar' of de `landjonker' uithing om zijn Duitse of Franse gastheren op stang te jagen. Zijn verbondenheid met Polen bleek een mes dat aan twee kanten kon snijden. De ongemakkelijke combinatie van minderwaardigheids- en superioriteitsgevoelens, voor hem de kern van het `Poolse complex', was tot het eind toe ook de zijne.

Dat alles maakt je des te nieuwsgieriger naar de jaren die Gombrowicz daadwerkelijk in Polen heeft doorgebracht. Hij schreef er zijn eerste literaire werk, een verhalenbundel, een toneelstuk, een feuilleton en de roman Ferdydurke (1937), waarin zijn theorie over de `vorm' en de `onrijpheid' al volledig aanwezig is. De `bevrijding' die Argentinië voor hem belichaamde, heeft dus beantwoord aan verlangens die hun oorsprong in Polen vonden. Helaas bestaat er over Gombrowicz' Poolse jaren geen dagboek. Ook brieven zijn zeldzaam. We moeten het doen met zijn herinneringen, sporadisch in het Dagboek en in interviews, uitvoerig in de teksten die hij in 1960-1961 schreef voor Radio Free Europe en die in 1984 – postuum – werden uitgegeven.

In deze Souvenirs de Pologne vertelt Gombrowicz ongedwongen over zijn ouderlijk huis, zijn middelbare school, zijn studententijd en zijn eerste schreden op het literaire pad. Maar onvermijdelijk krijgen we alleen zíjn kant van de zaak te horen. Hoe zijn omgeving over hem heeft gedacht, daarnaar blijft het gissen. Gelukkig is er nu Witold Gombrowicz et le monde de sa jeunesse, het boek dat Tadeusz Kepinski in 1973 voltooide en dat onlangs verscheen in een Franse vertaling.

Onhandige snob

Wie deze Tadeusz (of Tadzio) Kepinski precies is geweest, ik zou het niet weten. Blijkbaar wisten ook de Franse vertalers het niet, want een korte biografische schets hebben zij achterwege gelaten. Zeker is in elk geval dat hij Gombrowicz in 1915 heeft leren kennen, toen beiden in Warschau hetzelfde gymnasium bezochten. Met twee andere leerlingen, Kazio Balinski en Antos Wasiutynski, vormden zij een vriendenclubje, waarin de jonge Witold (destijds door iedereen `Itek' genoemd) voor het eerst zijn uitzonderlijke persoonlijkheid etaleerde.

Als een verlegen, onhandige snob komt hij uit Kepinski's herinneringen naar voren. Iemand zonder enige spontaniteit, maar met een bizar gevoel voor humor en een obsessie voor `aristocratie' en `goede manieren', waarachter een rebellie en een rancune schuilgingen tegen alles en iedereen, niet in de laatste plaats tegen zichzelf. Pas de literatuur, schrijft Kepinski terecht, zou voor zoveel innerlijke tegenspraak de passende uitweg verschaffen.

Het beeld is alleszins herkenbaar voor wie vertrouwd is met Gombrowicz' oeuvre. Tussen leven en werk moet bij hem een vloeiende overgang hebben bestaan, ook al heeft dat werk niets autobiografisch in de gebruikelijke zin van het woord. Gombrowicz `speelde' zijn leven; het besef van de alomtegenwoordige `onechtheid' waaruit dat rollenspel voortkwam, werd zíjn vorm van authenticiteit. Zelf heeft hij dit besef altijd toegeschreven aan de invloed van zijn moeder, die zich een `volstrekt fantastische' persoonlijkheid had toegedicht waarin zij heilig geloofde. Bij Kepinski zien we haar alleen van de buitenkant: als een grande dame, die zich door de vrienden van haar zoon plechtig de hand liet kussen.

De school moest hem helpen zich van haar liefdevolle bemoeizucht te bevrijden, meent Kepinski, want vóór alles wilde hij zelf iemand zijn. De rebellie, het principiële `nee', waarin Kepinski de basis en het uitgangspunt van Gombrowicz' leven ziet, was een gevolg van dat verlangen. Voor het overige verafschuwde hij de school: hij werd er gepest om zijn arrogantie en was doodsbenauwd voor de leraren, die hij – net als de grote Poolse dichters over wie zij lesgaven – in feite `tweederangs' vond.

Van zijn ouderlijk huis wist Gombrowicz zich al spoedig los te maken; hij wekte er altijd de indruk slechts `op visite' te zijn, schrijft Kepinski. Minder eenvoudig zou hem dat zijn gevallen bij de familie van zijn vriend Kazio Balinski. Jarenlang kwamen de vier jongens er bijna dagelijks over de vloer. En via Kazio's oudere broer Stanislas, een dichter die een grote rol speelde in het tijdschrift Skamander, kwam Gombrowicz voor het eerst in aanraking met de literaire wereld.

In de Souvenirs verkneukelt hij zich erover dat Stanislas Balinski toen nog niet kon vermoeden dat het bedeesde vriendje van zijn jongere broer ooit zijn `vijand nummer één' zou worden. Inderdaad, tot in het Dagboek toe moeten de dichters van Skamander het ontgelden, omdat zij geen werkelijk nieuwe kunst wisten te creëren. Kepinski stelt de zaken iets minder zwart-wit voor. Volgens hem was `Stas' Balinski niet alleen de eerste aan wie `Itek' zijn verhalen liet lezen, hij zou zelfs de titel hebben bedacht (Memoires uit de rijpingsjaren) waaronder ze in 1933 werden gepubliceerd.

Puch

Of het waar is, valt niet meer vast te stellen. We hebben alleen Gombrowicz' Souvenirs als tegenstem, en daarin staat er niets over. Wat niet wil zeggen dat Kepinski ongelijk heeft. In grote lijnen wijkt het beeld dat hij van zijn jeugdvriend geeft niet af van diens zelfportret in de Souvenirs. Kepinski geeft alleen meer en soms ook andere details. Hij weidt uit over Gombrowicz' worsteling met de muziek, vertelt over de motorfiets (merk Puch) waarmee deze in de zomer door Warschau placht te rijden, en we zien het tweetal een dag lang op zoek gaan naar een geschikte regenjas voor `Itek'. Helaas beschikt Kepinski niet over het talent van zijn vriend, die van deze gewichtige queeste ongetwijfeld iets zeer hilarisch zou hebben gemaakt.

Dat neemt niet weg dat er tussen beiden ook enige literaire congenialiteit moet hebben bestaan. Want op zeker moment vatten zij het plan op om samen een `keukenmeidenroman' te schrijven, vol `lage lusten' en voorzien van een gezonde dosis `perversie'. Je hoeft niet te vragen door wie het plan was bedacht. Van de samenwerking kwam niets terecht en Gombrowicz schreef deze bewust `slechte' roman in zijn eentje. Wat ermee gebeurd is, blijft onduidelijk en dat is tekenend voor de latere fase van hun vriendschap. Je kunt je moeilijk aan de indruk onttrekken dat de beide vrienden na het gymnasium steeds meer uit elkaar zijn gegroeid. Gombrowicz ging in Warschau rechten studeren, ontdekte de drank en de sigaretten, en kwam vervolgens in de literaire wereld terecht. Kepinski vertrok naar Krakow om daar op een bank te werken. Schrijven en zien deden ze elkaar nog maar af en toe.

De Memoires uit de rijpingsjaren wekken nog Kepinski's geestdrift, getuige de reacties van Gombrowicz op zijn commentaar. `De opmerkingen over deze excellente novelle komen mij acceptabel voor, zij 't nog te weinig prijzend', lezen we bijvoorbeeld. Voor hem kon de lof nu eenmaal nooit groot genoeg zijn. Het breukpunt lijkt – destijds of achteraf – Ferdydurke te zijn geweest. Weliswaar meldt Kepinski positief te hebben gereageerd, maar het is veelzeggend dat hij zich daarna uitsluitend beperkt tot een omstandige verdediging van de leraren, die in het eerste deel van de roman belachelijk worden gemaakt.

Kloof

Ongemerkt opent zich hier een kloof tussen de loyaliteit jegens het verleden en de onverbiddelijke eisen van een schrijverschap, dat zich aan zulke `sentimentele' zaken niets gelegen laat liggen. In de loop der tijd zal die kloof alleen maar breder en dieper zijn geworden. Uit zijn boek kunnen we opmaken dat Kepinski een van degenen is geweest die Gombrowicz in de jaren vijftig hebben geschreven naar aanleiding van Trans-Atlantisch, de roman die in Poolse kringen de meeste ontstemming wist te wekken. Wat hij precies heeft geschreven, blijft onvermeld. Maar het laat zich wellicht afleiden uit wat hij over Ferdydurke schrijft.

Volgens Kepinski had deze roman als ondertitel `De revanche' moeten krijgen. In zekere zin terecht, want Ferdydurke, evenals vrijwel alles wat Gombrowicz heeft geschreven, was een vorm van revanche – op het Polen van zijn jeugd, waarin hij zich nooit had thuisgevoeld. Maar de roman is nog zoveel méér, en daarvoor hebben zijn Poolse critici niet altijd voldoende oog gehad. Ook Tadeusz Kepinski niet, die door de nadruk te leggen op het revanche-karakter van Gombrowicz' meesterwerk onbedoeld laat doorschemeren toch nooit volledig in staat te zijn geweest de grote schrijver te herkennen in de onhandige rebel met wie hij op school had gezeten.

Tadeusz Kepinski: Witold Gombrowicz et le monde de sa jeunesse. Uit het Pools vertaald door Christophe Jezewski en Dominique Autrand. Collection Arcades. Gallimard, 387 blz. ƒ72,-