Naakt zonder excuus

Venus is een moeder of een schutsgodin, maar meestal is ze een verleidster. ,,Ach, die mannen. Sneu is het bijna, hun beeld van Venus.''

Venus is een naakte vrouw, dat is wel zeker. Dat ze een godin is, zie je soms ook, geen sterfelijke vrouw zou op de golven kunnen liggen, een karretje bezitten dat getrokken wordt door twee zwanen of omspeeld worden door kleine, dikke jongetjes met vleugeltjes. Er zijn geregeld duiven in haar buurt, ze zit nogal eens voor de spiegel, bevindt zich vaak aan zee en heel dikwijls is er een man die verlangend naar haar kijkt. Maar het belangrijkste kenmerk van alles blijft die naaktheid. Vaak is ze echt spiernaakt en toont zich ook als zodanig: rechtop, boven ons uittorenend, eventueel haar haren uitwringend. Soms doet ze kuis en houdt een hand voor haar buik en borsten – maar vréselijk kuis wordt het dan toch ook niet. Het is meer lippendienst aan de zedigheid die daar bewezen wordt. Ze heeft, zo staand, wel iets ongenaakbaars, iets dat je misschien goddelijk zou kunnen noemen.

Minstens zo vaak ligt ze, en wel zo dat wij haar goed kunnen bekijken: haar appelborsten, haar blanke, volstrekt haarloze huid, haar halfgeloken ogen waarmee ze uitdagend of verleidelijk naar ons kijkt, haar zachte buik, haar romige dijen. Het buik- en dijgedeelte wordt vaak geaccentueerd met een niets verhullend glinsterend sluiertje. Meestal bevindt zich dat gedeelte ook nog in het midden van het schilderij, precies daar waar de blik toch al naartoe wil. Dat we het maar weten: deze vrouw is een vrouw gemaakt voor de liefde. Of eigenlijk: voor seks. Want de Venus die schilders van de Italiaanse Renaissance tot en met het negentiende-eeuwse impressionisme afbeeldden en die nu in Keulen tentoongesteld wordt, is meestal niet een personage waarbij je aan trouw, toewijding, verbondenheid en huwelijk denkt. Ze is een ondubbelzinnige seksgodin. Hoe kuis of streng of hooghartig ze dan soms ook boven dat blanke lijf ligt te kijken.

Het is al vaak beweerd: een vrouw die ligt, onderwerpt zich. Ze is passief, ze wacht de (mannelijke) beschouwer af. Maar dit is geen vrouw, dit is een godin. In de Oriëntaalse en Kleinaziatische godenverhalen werden mannen die met een godin geslapen hebben impotent. In een Homerische hymne, waarin verteld wordt hoe Afrodite de Trojaan Anchises verleidt, smeekt de arme man als hij erachter komt dat hij niet met zomaar een mooi meisje, maar met de liefdesgodin zelf te bed is geweest: ,,Laat me niet zonder levenskracht te midden van de mensen wonen, maar heb medelijden. Er bestaat immers geen man die zijn levenwekkende kracht behoudt, nadat hij geslapen heeft met onsterfelijke godinnen.'' Afrodite stelt hem gerust: zolang hij niet over zijn avontuur praat zal hem niets overkomen. Aangezien nu de hele wereld weet dat Anchises iets met Afrodite heeft gehad zal hij toch wel impotent zijn geworden. Hoe dan ook: al die naakte, `verkrijgbare' vrouwen zijn tegelijkertijd onaanraakbare godinnen. Bovendien zijn ze van verf. Gevaarlijk maar ongevaarlijk, aanstootgevend maar kuis, wellustig maar onvleselijk.

Wie een poosje rondloopt op de tentoonstelling Faszination Venus, denkt al heel snel over wat naaktschilderijen, en meer in het bijzonder schilderijen met goddelijke vrouwelijke naakten, nu eigenlijk willen en bedoelen. Die kost het soms enige moeite om aan Venus te blijven denken, de Romeinse godin die de voortzetting is van de Griekse Afrodite, `de lieflijk lachende', de onweerstaanbare. Afrodite zelf wordt trouwens ook niet geacht van Griekse oorsprong te zijn, zij is waarschijnlijk weer verwant met de Syrische Astarte en de overal rond de oostkant van de Middellandse Zee vereerde Ishtar godinnen die meer deden dan wat rondkroelen in bed. Machtige godinnen, hemelse moeders, soms wapens dragend. Godinnen die vrijelijk onbeduidende minnaars namen wie zou er niet onbeduidend worden naast dergelijke vrouwen?

Versierselen

Die on-Griekse herkomst van Afrodite wordt, volgens sommigen, uitgedrukt in het verhaal over haar geboorte: uit het schuim van de zee. Ze zou in de buurt van Kythera verschenen zijn en toen, door de wind geblazen, volgens sommige auteurs gezeten in een schelp, naar Cyprus gegaan zijn, waar ze voor het eerst aan land kwam. Naakt natuurlijk. Daar stonden de Horai, de godinnen van de seizoenen, klaar om haar aan te kleden en met versierselen te behangen. Daarna werd ze meegenomen naar de Olympos, waar alle goden met haar wilden trouwen. Sindsdien is Cyprus het eiland van Afrodite. Cyprus is al bijna Azië, dus niet zo gek gekozen voor een godin die uit die streken naar de Griekse wereld is gebracht.

De uit de golven oprijzende Afrodite, de `anadyomene', is een heerlijk onderwerp voor schilders. Er is de beroemde voorstelling van Botticelli waarop alles aanwezig is: de blazende Zefyros, de schelp, het schuim, de natte haren, de Horai die klaar staan met een jurk, de kuise en verrukkelijke naaktheid van de jonge godin. Ze heeft een hand voor haar borst, met de andere houdt ze haar lange haar voor haar onderbuik, en ze staat zoals ze op talloze schilderijen zal staan, met één been licht gebogen waardoor haar ene heup aantrekkelijk gerond wordt, en met haar hoofd een weinig genegen. Op latere schilderijen (zoals dat van Ingres bijvoorbeeld, vier eeuwen later) staat ze nog net zo, maar dan met een arm boven haar hoofd geheven en ook de andere hand omhoog, om haar haar uit te wringen. En om haar borsten beter te laten uitkomen natuurlijk.

Meestal stáán die anadyomenes, logischerwijs. Maar Alexandre Cabanel schilderde in 1863 een Geboorte van Venus waarop ze ligt. Op een tapijt van golven en schuim, met boven haar een guirlande van cupidootjes. We zien haar als het ware schuin van onderen, alsof de zee boven ons is, maar dat is natuurlijk omdat zij goddelijk is, we moeten opkijken. Haar lichaam is onwaarschijnlijk porseleinig. Ze ligt in een houding waarin geen mens of godin ooit zonder schilder zou gaan liggen: op haar zij, maar vanaf haar middel weggedraaid en met haar armen omhoog. Vanonder de hand die over haar voorhoofd ligt werpt ze een slaperig verleidelijke blik die zou moeten duiden op `zojuist ontwaakt'. Ze is zo tentoongesteld als een vrouw maar kan zijn en haar blik vindt het goed. Hm.

Dit schilderij hing op de Parijse Salon waarvoor Manets Déjeuner sur l'herbe geweigerd werd. Vreemde gedachte. Het is, nu, zo veel aanstootgevender dan dat van Manet. Dit kon toen door de beugel omdat het een eerbiedwaardig mythologisch onderwerp had, terwijl die vrouw van Manet naast die keurige heren, zonder enig mythologisch of bijbels excuus maar doet alsof geen kleren aan hebben de normaalste zaak van de wereld is. Nu is dit tentoonstellen van een vrouw als een door een man geïdealiseerd en gedrapeerd lichaam veel obscener dan die over zichzelf beschikkende dame op dat gras.

Baudelaire moet over zulke schilderijen als die van Cabanel gezegd hebben dat de eigenlijke charme van dergelijke figuren veeleer gelegen was in de formele arabesk die ze in de ruimte beschrijven dan in de verhalende inhoud. Dat klinkt wel chic. Maar die `formele arabesk' werd ongetwijfeld toch wel een stuk aantrekkelijker als die per ongeluk gevormd werd door een naakte vrouw. Dat hele schilderij heeft iets hypocriets.

Stammoeder

De tentoonstellingsmakers hebben Venus in verschillende aspecten willen laten zien. Niet alleen als de uit schuim geboren jonge Afrodite, maar ook als de Romeinse Venus, stammoeder van het huis van de Julische keizers, beschermster van het huwelijk, schutsgodin van Rome. Die Venus, die door Vergilius in zijn Aeneis bezongen is, is een bezorgde moeder in plaats van een overspelige verleidster. We zien haar haar zoon Aeneas vergoddelijken of haar man Vulcanus om wapens voor hem smeken. Ze is ook bij die bezigheden steeds bevallig en (half)naakt, het moet immers duidelijk zijn waarom Vulcanus meteen voor haar aan het werk gaat. `Allen ondergaan de macht van de rijkomkranste godin van Kythera', beweerde de Homerische hymne al en ook bij Vergilius is dat nog zo. Dat moeten de schilders waarmaken.

Die Romeinse of Vergilische Venus, daar heb ik eigenlijk nooit zoveel aan gevonden. Ze is zo braaf, zo almaar bezig haar zoon en kleinzoon vooruit te helpen in de wereld. De Afrodite van Homerus is veel grilliger en brutaler. Die van Vergilius lijkt nauwelijks meer met liefde, anders dan moederliefde, van doen te hebben. Alsof ze die gordel waarover Homerus schrijft, `waarin alle verleidingen waren geborgen', allang kwijtgeraakt is. ,,Daarin was liefdesgenieting en lust en het zinnenverlokkend geminnekoos dat de geest der verstandigste mannen begoochelt.''

En niet alleen mannen kunnen begoocheld worden door liefdesgenieting – ook Afrodite zelf is er gevoelig voor. Er is die geschiedenis met Anchises. Er is haar relatie met Ares of Mars, die soms als haar echtgenoot wordt voorgesteld, soms ook als haar minnaar, met wie ze Hefaistos of Vulcanus bedriegt. Ook alweer een prettig te schilderen thema: hoe Vulcanus de geliefden betrapt, door een heel fijn onzichtbaar net te smeden en dat boven het bed te hangen. Het paar raakt erin verstrikt en Hefaistos, zo vertelt Homerus, roept de andere goden erbij om te laten zien hoe schandelijk het allemaal is. Maar de anderen (de godinnen komen niet kijken) zijn voornamelijk afgunstig op Ares. De arme Hefaistos vernedert zichzelf eigenlijk alleen maar meer.

Het liefdespaar Mars en Venus, geregeld ook zonder net of Vulcanus, is heel veel afgebeeld. Soms lijken de schilderijen wel moppen uit leesportefeuille-bladen, zo oubollig betrapt ziet Mars eruit. Van de zestiende-eeuwse Duitse schilder Bartholomeus Spranger hangen wel twee Venus en Mars-en op de tentoonstelling, beide zonder een spoor van Vulcanus of andere verwijzingen naar het Homerische verhaal. Alleen een schild en een helm op de grond geven aan dat de elegante man die wel bezig lijkt aan een ballet met de sierlijke Venus, de oorlogsgod is.

De meest ondubbelzinnig erotische Venus en Mars-scène komt uit de werkplaats van Titiaan, van wie ook een beeldschone Venus bezig met haar toilet op de tentoonstelling hangt. Op zijn Venus, Mars en Amor (ca. 1570) leunt een, op een over haar dij liggende witte doek na, naakte Venus achterover naar de in tunica gehulde Mars, die wel vanachter een rots voorover lijkt te buigen naar zijn geliefde. Haar hand grijpt zijn haar, hun monden vinden elkaar, zijn gespierde arm volgt de lijn van haar lichaam en zijn hand heeft hij half onder haar billen geschoven. Amor zweeft er eigenlijk geheel overbodig bij, want de minnaars hebben geen enkele aandacht voor iets anders dan elkaar (gelukkig, voor de verandering, ook niet voor de toeschouwer), maar voor de compositie van het schilderij is hij wel goed.

Moralisme

Deze schilderijen zijn overduidelijk bedoeld voor de mannelijke blik. Ze moeten zijn lust opwekken door gewillige vrouwen in suggestieve houdingen te laten zien. Soms wordt er wat moralisme aan toegevoegd voor de schijn. Toon een naakte vrouw en roep dat zij een zondige verleidster is. `Kijk goed naar haar! Zij is heel slecht!' Of zeg: `ze is goddelijk dus onaanraakbaar, dus dáárom gaat het mij niet'. Keurig. Maar het is zo duidelijk als wat dat het daar wel om gaat. De Rustende Venus met Amor (ong. 1624) van Nicolas Poussin zou in de Playboy niet misstaan. We zien haar driekwart. Ze ligt onder een boom op iets dat het midden houdt tussen een rotsblok en een rustbank, met een been opgetrokken en het andere op de grond, waardoor haar benen wat gespreid zijn. Er lijkt wel een schijnwerper op haar gericht, maar dan een met sfeerverlichting erin, zo rozig ziet haar vlees eruit. Even wekt het schilderij de suggestie dat Poussin zelfs schaamhaar heeft afgebeeld, maar nee, het is haar lange haar en alweer zo'n glinsterend sluiertje dat tussen haar benen verdwijnt. Haar ene arm ligt onder haar iets opzij geknikte hoofd, haar wangen blozen, haar lippen zijn halfgeopend. Áls ze al slaapt, dan is wel duidelijk waar ze van droomt. Bij haar ene voet staat Amor met een boog, achter haar hoofd gluren in het halfdonker twee herders. Zo suggestief als dit schilderij krijg je een foto niet makkelijk.

,,Mannen bekijken vrouwen. Vrouwen bekijken zichzelf als wezens die bekeken worden'', schreef de kunstcriticus en schrijver John Berger in een beschouwing over het vrouwelijk naakt en de mannelijke kijker, waarin hij een groot gedeelte van de Europese schilderkunst afdoet als `absurde vleierij van de man'. Vrouwen zijn op deze tentoonstelling voortdurend te zien als wezens die bekeken worden. Maar die vraag, hoe mannen vrouwen zien, hoe wij door hen gezien willen worden, roept deze tentoonstelling toch nauwelijks meer op. Je ziet geen vrouwen, je ziet geschilderde lichamen, geïdealiseerde naaktheid, bereidwillige seksualiteit, mannelijke fantasie. Ach, die mannen. Sneu is het bijna, hun beeld van `Venus', hun geworstel met een seksueel sterke vrouw, hun pogingen om haar zich toe te eigenen, haar te onderwerpen. Het zijn geen voorbeelden meer, daarvoor is het vrouwbeeld te veel veranderd sinds de negentiende eeuw. Een hedendaagse Venus zou er heel anders uit moeten zien.

Eén schilderij is anders dan de andere. Het stelt het afscheid van Venus en Adonis voor, geschilderd, omstreeks 1583, door Luca Cambiaso. Hoewel Ovidius niet schrijft dat die twee ooit minnaars geweest zijn, lijkt dit schilderij het moment uit te beelden waarop 's ochtends vroeg, na een liefdesnacht, de minnaars afscheid moeten nemen. Venus ligt, weer naakt, achterover, maar ze toont zich niet aan ons. Ze kijkt naar Adonis die, al aangekleed, op de rand van het bed zit. Hij kijkt ook naar haar. Zijn hand ligt op haar heup, haar hand op de zijne. Met zijn andere hand heeft hij haar kin gepakt, in een wonderlijk intiem gebaar. Het kan niet anders dan dat hij weggaat, dat is wel duidelijk, maar ze hebben het goed gehad samen. Het lijkt bijna een geschilderd wachterslied, het zou dé illustratie zijn bij P.C. Hoofts `Galathea siet den dach comt aen'. ,,Neen mijn lief wilt noch wat marren [...] t' en can den dach niet sijn.'' Adonis zal weggaan en dodelijk gewond raken door een everzwijn. Maar hier, op dit moment dat wij zien, vraagt Venus nog `och mijn leven, coomdij t' avont weer?'

En niet alleen Hooft wordt hier zichtbaar, ook ons eigen leven, tweeduizend jaar geleden verteld door de mythologie en meer dan vier eeuwen geleden geschilderd door Cambiaso.

`Faszination Venus. Von Cranach bis Cabanel'. Tot 7 jan. 2001. Wallraff- Richartz Museum, Keulen.