Montenegro weet nog lang niet wat het eigenlijk wil

De Montenegrijnse president Milo Djukanovic wil zijn volk in juni 2001 naar de stembus sturen voor een referendum over de onafhankelijkheid. Dat in Belgrado een nieuw bewind is aangetreden verandert niets aan zijn plannen.

Er schuilt veel ironie in de plotselinge wens van de Montenegrijnen – beter: veel Montenegrijnen – om uit de broederlijke federatie met de Serviërs te treden. De Montenegrijnen hebben zich altijd beschouwd als hele, driekwart of halve Serviërs. Volgens de overlevering werd Montenegro gesticht door Servische ridders, die na de nederlaag tegen de Turken in de Slag op het Merelveld in 1389 naar een leeg land trokken om er een nieuw vorstendom te stichten: het land van de Crna Gora, de Zwarte Bergen: Montenegro. Eeuwenlang hebben ze zich verdedigd tegen de Turken en verlangd naar vereniging (of hereniging) met de Servische broeders. En toen die er kwam, in 1918, na twee Balkanoorlogen en een Wereldoorlog, zetten ze zonder aarzelen de laatste telg uit hun heersersgeslacht van prins-bisschoppen aan de kant en schurkten ze zich in het nieuwe Joegoslavië eindelijk tegen de Serviërs aan.

In dat nieuwe land en in die aloude alliantie hebben ze zich, van 1918 tot het eind van de eeuw, ook heel prettig gevoeld, anders dan de Kroaten en de Slovenen en de moslims die zich decennia lang ergerden over de Servische overheersing. Zo tevreden waren de Montenegrijnen dat ze in 1991 binnen Joegoslavië bleven, al konden ze er toen uit en al werd dat Joegoslavië geleid door Slobodan Miloševic en al raakten ze ook nog betrokken bij de verwoestende oorlogen in Kroatië en Bosnië.

Het tij keerde pas begin 1998, toen de presidentsverkiezingen in Montenegro werden gewonnen door Milo Djukanovic, een criticus van Miloševic, een voorstander van hervormingen en democratisering en een opening naar het Westen. Hij wees op de desastreuze gevolgen van de Westerse sancties voor het economisch kwetsbare Montenegro.

Het resultaat was een ellenlange reeks van dreigementen uit Belgrado. En het bleef niet bij dreigementen, er kwamen ook acties. Miloševic weigerde Djukanovic als president van Montenegro te erkennen en trok zich verder van de grondwettelijk voorgeschreven federatieve verplichtingen niets meer aan: exit de invloed van Montenegro op federaal niveau. Het Tweede Joegoslavische Leger, gelegerd in Montenegro, werd een van afstand (Belgrado) te bedienen bom onder het bewind van Djukanovic. Een elite-eenheid van de militaire politie, het Zevende Bataljon, duizend Miloševic-getrouwen, werd naar Montenegro gestuurd, als intimidatie, en om, mocht het tot geweld komen, als een stormram de bezetting van Podgorica door het Tweede Leger voor te bereiden. Montenegrijnen werden geweerd van de universiteit van Belgrado, ook al staat daar een standbeeld van de Montenegrijnse dichter, prins en bisschop Peter II Petrovic Njegoš voor de deur. Begin dit jaar sloot Miloševic zelfs de grens tussen Servië en Montenegro. De economische boycot dwong Montenegro voedsel en geneesmiddelen duur in landen als Albanië en Kroatië te kopen. Uiteindelijk maakte Miloševic dit jaar met grondwetswijzigingen ook formeel een eind aan de zeggenschap van de Montenegrijnse regering binnen de federatie.

Maar Djukanovic bond niet in. Gesteund – moreel, politiek, financieel – door het Westen kapselde hij Montenegro zelf zoveel mogelijk van Servië af: de Duitse mark werd officiële munteenheid, Montenegro opende handelskantoren in de wereld, het stelde een eigen staatsburgerschap in en het trok zich zijnerzijds niets meer aan van welk federaal gezag dan ook.

Een tweede ironie: toen een maand geleden Miloševic eindelijk werd verslagen – de boeman die als enige dissonant een eind had gemaakt aan een eeuwenlange broederlijke Servisch-Montenegrijnse idylle – en de macht in Belgrado werd overgenomen door een bondgenoot van Djukanovic, Vojislav Koštunica, zette Milo Djukanovic zijn streven naar volledige onafhankelijk voort – alsof in Belgrado nog steeds de vijand aan de macht was. Formeel wil hij nog altijd niets weten van het federaal gezag. Hij heeft de eisen van Montenegro opgeschroefd tot ver boven het niveau van autonomie dat Montenegro bezat voordat Miloševic met de uitholling en afschaffing ervan begon: hij eist de vorming van twee onafhankelijke staten, Servië en Montenegro, die allebei lid worden van de VN, verbonden een losse unie die alleen hun munteenheid en hun leger delen – maar alleen als die munt convertibel is en alleen als dat leger gescheiden commando's krijgt.

Het resultaat van die hardnekkigheid is – alweer die ironie – een serieuze handicap voor Koštunica bij het vestigen van zijn gezag op federaal niveau. Hij werd uiteindelijk gedwongen een federale regering te vormen met uitgerekend de Montenegrijnse aanhangers van Miloševic (en de binnenlandse vijanden van Djukanovic). Die, verenigd in de Socialistische Volkspartij SNP, zijn na de val van Miloševic haastig naar diens tegenstander Koštunica overgelopen: Koštunica wil de federatie redden, en dat willen zij ook. Djukanovic heeft aldus met zijn weigering, het federale gezag te erkennen, zijn binnenlandse vijanden aan veel macht in Belgrado geholpen.

De vraag is of Djukanovic het redt. Koštunica geeft vooralsnog de Montenegrijnen zoveel mogelijk hun zin. De internationale steun die Djukanovic als enige efficiënte opposant van Miloševic genoot, is op slag verdampt nu de boze Slobo is gevallen: het Westen zit allerminst te wachten op de stichting van weer een nieuw landje op de Balkan met een twijfelachtige levensvatbaarheid en het zit ook niet te wachten op de zee van problemen die op de nieuwe held Koštunica afkomen als Montenegro zich afscheidt. Men kent Djukanovic nu liever niet meer. Missies van de Wereldbank en het IMF gaan nu naar Belgrado en mijden Podgorica. Het Stabiliteitspact heeft Joegoslavië als federatie verwelkomd, de OVSE deed dat vandaag ondanks smeekbeden van Djukanovic om te wachten hebben de Verenigde Naties Joegoslavië weer als lid toegelaten. Milo Djukanovic staat plotseling heel alleen.

Ook binnenlands gaat het hem niet niet voor de wind. Binnen zijn eigen Coalitie voor Beter Leven neemt de verdeeldheid toe. Zijn twee coalitiepartners twijfelen over of zijn ronduit tegen de onafhankelijkheid. Zelfs binnen Djukanovic' eigen Democratische Partij van Socialisten (DPS) neemt de twijfel toe. Twee vice-voorzitters van de DPS, premier Vukanovic en parlementsvoorzitter Marovic, presenteerden onlangs in Belgrado de eisen van Montenegro, maar zeiden erbij dat daarover nog kon worden onderhandeld. Dat laatste hadden ze van de aanhangers van onafhankelijkheid nooit mogen zeggen, en ze kregen dan ook, eenmaal terug in Podgorica, het verwijt van `verraad' naar het hoofd geslingerd.

En het volk? Die 600.000 Montenegrijnen zelf? Niemand die het weet. Volgens de laatste opiniepeiling is 48 procent voor en 39 procent tegen onafhankelijkheid. In juni waren die percentages 36 voor en 28 tegen. Maar peilingen zijn in Montenegro zeer onbetrouwbaar. De voorstanders van onafhankelijkheid zeggen gesteund te worden door zestig of zelfs tachtig procent van de bevolking, de tegenstanders roepen zestig procent van de Montenegrijnen achter zich te hebben.

Zo blijft Montenegro nog wel een half jaar een bom onder de Joegoslavische federatie (en Koštunica's stoel), met een lont die klaarligt maar nog niet is aangestoken.