Met z'n tweetjes boven de wet

Rudy Kousbroek vond destijds meteen al dat Wim Kan niet bezig was een civiele actie tegen de komst van keizer Hirohito naar Nederland te voeren, maar dat hij in een `psychodrama' verwikkeld zat. De rest van het volk zag de cabaretier in 1971 echter met heel andere ogen. Onder aanvoering van de Telegraaf en de VARA-rubriek Achter het nieuws werd het beeld geschapen van een man die wijs en waardig een protest liet horen namens de slachtoffers van de Japanse bezetting van Nederlands-Indië. De actie mislukte en de keizer kwam toch, maar Kan werd sindsdien des te meer bewonderd. Hij was niet alleen de scherpzinnige grappenmaker meer, hij had zich nu ook laten kennen als een man met diepgang.

Maar de ware toedracht lijkt Kousbroek meer gelijk te geven dan hij destijds kreeg. Al in het voorwoord van zijn boekje Er leven niet veel mensen meer valt Trouw-redacteur Kustaw Bessems met de deur in huis door gewag te maken van `een wilde campagne'. Wim Kan was totaal over zijn toeren en gedroeg zich als een dwingeland die de meeste media voor zijn kar wist te spannen. Bessems' koele reconstructie laat weinig ruimte voor een andere conclusie. Kan stond op een voetstuk, omdat zijn oudejaarsavondconférences een nationaal evenement waren geworden. Wie deze grootheid exclusief in zijn programma of krant aan het woord kon laten, ging desgewenst diep door de knieën.

Zo werd de toon voor het protest gezet door een interview met Wim Kan in de actualiteitenrubriek Achter het nieuws, waarvan Kan zelf vooraf het verloop had bepaald. Ook de vragen die eindredacteur Hans Jacobs in de uitzending stelde, waren door Kan voorgeschreven. Erg kritisch waren die uiteraard niet.

Nog verder ging politiek redacteur Hans van der Werf van het NOS-Journaal. Hij had Kan vrijwel dagelijks aan de telefoon en maakte daarvan bandopnamen, die nu voor het eerst openbaar zijn gemaakt. `Hij was door het dolle, echt door het dolle heen', zegt Van der Werf. `Hij huilde af en toe. Hij schold, hij ging te keer.' De tv-reporter trachtte Kan in goede banen te leiden, hielp hem een open brief aan premier Biesheuvel te schrijven (die via de Telegraaf wereldkundig werd gemaakt) en organiseerde zelfs een persconferentie. Tegelijk deed hij daarvan in het journaal verslag. Dat was `vanuit journalistiek oogpunt een ongebruikelijke en ongewenste situatie', schrijft Bessems. Van der Werf is het daarmee eens, maar beroept zich op de status van Kan. De cabaretier stond, met andere woorden, boven de wet.

Kan leek dat zelf trouwens ook te vinden. Met zijn vrouw Corry Vonk leidde hij een kluizenaarsachtig bestaan, dat hem nogal wereldvreemd had gemaakt. Hij dacht werkelijk zo machtig te zijn dat hij het bezoek van de keizer – symbool van het leed dat hem en duizenden anderen tijdens de oorlog was aangedaan – kon tegenhouden. Naarmate het tegendeel duidelijker werd, namen zijn onbegrip en zijn wanhoop toe. Hij kondigde zelfs een gebaar aan, waarvan nu blijkt dat het nooit is gemaakt. Het stond (en staat) overal te lezen: Kan en Vonk hebben hun Oost-Azië-Verzetssterren `stilletjes met z'n tweeën' in de Westeinderplas gegooid. Volgens hun assistent Frans Rühl gingen ze tenslotte ook zelf in dat verhaal geloven. Maar het is niet waar. De onderscheidingen bleven thuis in de kluis en liggen nu in het Theater Instituut.

`Er leven niet veel mensen meer die het kunnen navertellen', zingzegde Kan in zijn Railroadliedje. Het is één van de gaafste nummers uit de Nederlandse cabaretgeschiedenis. Maar zo uitgewogen als die tekst was, zo traumatisch was de actie, die zo makkelijk kon uitgroeien tot een media-offensief.

Kustaw Bessems: Er leven niet veel mensen meer. Wim Kan en de komst van de Japanse keizer.

Contact, 176 blz. ƒ32,90