Men kust elkaar tot kikkers

Het verhaal wil dat Remco Campert zich eens gunstig heeft uitgelaten over met rap optredende podiumdichters, maar daar op liet volgen dat van zulke poëzie op papier toch weinig resteerde. Def P. van de Osdorp Posse antwoordde dat als je Camperts gedichten zou rappen, daar nog veel minder van over zou blijven. Beiden hebben natuurlijk gelijk. Evenmin moet je hiphop in de Amsterdamse Stadsschouwburg brengen. En de strijkkwartetten van Beethoven verliezen veel in de Arena, meer zelfs dan Ajax.

Dit lijkt simpel genoeg, maar wat nu als dichters tussen de wal van het podium en het schip van het papier dreigen te raken, zoals Ingmar Heytze? In het ergste geval schiet hun poëzie op de planken tekort en faalt ze ook op papier. Zo dramatisch is het bij Heytze niet. Hij begon met cabaret-achtige gedichten voor te dragen en beweegt zich gaandeweg in de richting van het genre poëzie dat ook lezers verdraagt, net als leeftijdgenoten Ruben van Gogh en Hagar Peeters. Aan de bruid, bevat evenals vorige bundels toegankelijke, goed klinkende gedichten.

Het is geen toeval dat het eerste begint met de naar het podium verwijzende regels:

Het doek stort neer: daar ben ik dan,

minister van onverrichte zaken,

ontmaskerde held uit de sokkenla,

ridder tjokvol vrees en blaam,

aangenaam.

In dit theater van de lach presenteert de dichter zich als een held op sokken – een sympathieke sukkel die zich veel kan veroorloven, bijvoorbeeld het gedicht `Afstuderen' aldus te eindigen: `want het meisje is verdwenen/ en de beste vriend beledigd/ en de huizen zien je zwijgend gaan:/ geen kind, geen kraai, geen zin,/ geen baan.'

De taal is bij hem niet altijd zo slap en eendimensionaal. Gedichten lopen soms uit op een pointe die het ook op papier goed doet. Wanneer de dichter zich ongemakkelijk voelt op de dansvloer, eindigt hij niet ongeestig met `men kust elkaar/ tot kikkers/ hier.' In plaats van de kikker die in het sprookje tot prins wordt gekust, gaat het hier net omgekeerd: als het tot kussen komt wordt het een kouwe bedoening. Ook niet onaardig is het slot van `Testament', met milde zelfspot over de eigen melancholie:

Ik heb een zwarte kaars gekocht

die dooft als ik mijn ogen sluit

en fluister in het verre duister

`samen thuis en samen uit.'

Het is ongecompliceerde, liedjesachtige poëzie, en Heytze is zich hier van bewust. In een verkapte poëtica met de mooie titel `Hang- en sluitwerk' zet hij zich af tegen `superieur ingenieurswerk met woorden, [...] de inktvraat van het onttoverd citaat/ of schaarse woorden in een wit ravijn'. Hij wil minder omhaal:

verzen hup in de haken hangen,

kloppen aan ritme en vijlen aan klank,

iets fluiten tegen verzwegen pijn,

zo nu en dan gelukkig zijn.

Dat is mij iets te veel `doe maar gewoon'. Het is griezelig om met al te veel pretenties op het podium te staan, maar met te weinig red je het op papier niet in de poëzie – het wordt niks als je niet een gooi wilt doen naar het onmogelijke. In de politiek is het haalbare sinds jaren het ultieme ideaal; in de dichtkunst is het haalbare juist wat in de weg zit. Liever nog de vermoeiende hang naar het absolute van Nolens, Faverey of Ouwens dan de weemoedige bescheidenheid van Heytze, die in zijn laatste gedicht schrijft: `ik timmer woorden aan elkaar/ tot iets dat af en toe blijft drijven,/ meer eigenaardig dan zeewaardig –/ het zal zin voor zin vergaan.' Zulke regels maken zichzelf onmiddellijk waar, en dat is vast niet de bedoeling.

Deze poëzie behoort tot een tendens onder jonge dichters die neoromantiek en verstaanbaarheid in zich verenigt, een tendens met voorlopers als Slauerhoff, Bloem, Vasalis en Hans Andreus. Als reactie op het vele steriele maakwerk en hermetisme dat nog altijd verschijnt, valt dit toe te juichen, maar deze tendens mist de robuustheid of eigengereidheid die je bij leeftijdgenoten Mustafa Stitou en Ilja Leonard Pfeijffer wel aantreft. De gedichten van Heytze zijn net even te glad (de uitgever spreekt van `welluidend'). De woorden zijn vaardig aan elkaar getimmerd, hup in de haken gehangen. Het is als het schilderwerk van Rob Birza, of een roman van Karel Glastra van Loon. Interessant, kundig – maar het laat geen sporen achter.

Heytze wekt de indruk dat hij meer kan, want er staat een aantal goede regels in Aan de bruid. Over een geliefde die hij op het web probeert te vinden, zich digitaal verstrikkend: `ergens in dit web hang jij./ Je spint me in. Je vreet me op.' Dat dubbelzinnige web is te voordehandliggend, maar dat de dichter zich opgevreten voelt door dat verre dier, dat hem in het web voelt trillen, maakt het goed. Ook het gedicht `Pip' over een meisje dat nog geboren moet worden is geslaagd door het subtiele, dwingende ritme. Meer dan de manlijke pendant van dit gedicht in Heytze's anderhalf jaar geleden verschenen bundel Sta op en wankel.

Beide bundels lijken trouwens sterk op elkaar: beide bevatten pastiches, weemoedige gedichten over de liefde en geslaagde regels tussen flauwe grappen. Beide hebben iets kosmisch, een scheutje Marsman, wat volgens `generatiegenoot' Ruben van Gogh in zijn bloemlezing Sprong naar de sterren een kenmerk van deze dichters is. Dat kosmische is bij Heytze wonderlijke franje. Toen ik in Het Parool las dat hij meende dat je `moet opstijgen als een meteoor, niet als een vuurpijl' hield ik dat voor een vergissing van de interviewer. Maar nu ik lees dat Heytze het heelal laat hangen en dat de dichter `als een komeet [...] explodeert/ en alles op zijn baan verdelgt' waar een komeet verbrandt en niet veel op zijn baan tegenkomt omdat het nu juist zo akelig leeg is, daar in de ruimte, is mijn vertrouwen in die interviewer hersteld.

Het valt te hopen dat Heytze over anderhalf jaar met niet weer dezelfde bundel komt en dat hij zijn vrees om echte poëzie te schrijven aflegt. Laat ze toch joelen in die zaal. Zo gauw dit werk wat minder behaagziek, ondubbelzinnig en helder wordt, zoals in zijn gedicht `Dode mussen', zie ik er wel wat in.

Ingmar Heytze: Aan de bruid. Gedichten. Podium, 51 blz. ƒ24,90