Koningsdrama 2000

In een film (van Bertolucci?) zitten een stuk of vier Italiaanse jongeren om een koffergrammofoon waarop een toespraak van Hitler wordt afgedraaid. `Ik snap er geen snars van,' zegt een van de jongens, `maar het klinkt prima.' Hans Koetsier, toendertijd beeldend kunstenaar in Amsterdam, had een goed plan. We moeten, zei hij, een documentaire maken van een half uur ongeveer, met niets anders dan aan elkaar gemonteerde filmfragmenten waarop de grootste demagogen sinds de film bestaat, hun mond zo wijd mogelijk opensperren. En in dat half uur moet in de bioscoopzaal, die daarvoor extra gecapitonneerd is, een absolute stilte heersen, een stilte die je ervaart als je watten in je oren propt. Wie praat of hoest, gaat er meteen uit. Koetsier had meer opmerkelijke ideëen. Hij wilde Nederland eren met een zeer grote betonconstructie, die zo gebouwd was dat het in alle vertrekken en gangen altijd tochtte. Gezonde bezoekers kwamen er verkouden uit.

Dit demagogenidee zou een van onze coprodukties worden. Ik zette alvast iets van een essay op papier, we gingen op zoek naar mooie schreeuwfragmenten, we zagen Hitler, Göbbels, Streicher, Laval, Chaplin in The Great Dictator, en de Duce, in zijn onovertroffen houding, op een Romeins balkon, de armen over de borst gekruist, drie onderkinnen trekkend, terwijl hij van een tirade staat uit te blazen en uitzinnig wordt toegejuichd. Hij zegt niets, hij knikt alleen. Het plan bleek onuitvoerbaar. De fragmenten zouden van de eigenaars moeten worden gekocht, toen al exorbitante bedragen, dan gekopieerd, enz. Het geheel was niet te betalen en het geheel werd bijgezet op het onmetelijke kerkhof der nooit uitgevoerde plannen.

De afgelopen weken dacht ik er weer aan. Ik zag de Amerikaanse presidentskandidaten op de televisie, ook kandidaten voor het Huis van Afgevaardigden en de Senaat – Lazio, tegenstander van Hillary, één keer in het echt. Ik keek naar de attack ads waarmee de tegenstanders elkaar naar het leven staan, met regelrechte beledigingen, fluisterende verdachtmakingen, insinuerende beelden, alles wat een copywriter nog juist binnen de grenzen van de wet kan verzinnen. Ik las de New York Post, kampioen van het vilijnste proza.

Ik keek naar een op volle toeren draaiende grootindustrie die iedere dag opnieuw hetzelfde massaprodukt van de band liet rollen.

Vooral zag ik Bush en Gore. De Amerikaanse beschaving is rijk aan retorische talenten. Daar horen zij niet bij. George W. heeft er over het algemeen wel plezier in, hij kan op een natuurlijke manier kwaadaardig uit zijn ogen kijken, een wise crack lanceren alsof hij die zelf bedacht heeft (en misschien is dat ook wel zo je weet het niet, Bill had of heeft een speciale grappenfabrikant) en hij heeft zichtbaar plezier in zijn eigen slagvaardigheid. Al Gore doet me in zijn meest opzwepende momenten denken aan een Nederlandse dichter die graag de tango danste, dat ook deed en dan liet zien dat hij die dans uit een Kanarieboekje had geleerd. Het klopt allemaal wel, maar het is het niet. Als je bedoelingen maar goed zijn, zegt men dan. De bedoelingen van Al vertrouw ik meer dan die van George W.

U bent op de hoogte van de voorlopige afloop. Nadat de kandidaten het afgelopen jaar een miljard dollar hadden uitgegeven en zich tot de laatste calorie hadden uitgeput, werd er in Florida verkeerd geteld. Een soort koningsdrama, met een nog niet vertoonde climax? Nee, het was alsof deze grote democratie, de machtigste man ter wereld kiezend, opeens een lekke band had gekregen. ,,Te zijn of niet te zijn! Is het eed'ler voor de geest, de pijlen en de slingerstenen van het noodlot te dulden, of het hoofd te bieden aan een zee van plagen?'' (Vertaling Burgersdijk). Dit slot had Shakespeare niet kunnen verzinnen. Het is eerder Arrabal of Ionesco. De bananenschil als deus ex machina, maar niet om een held te laten uitglijden. Het zichzelf prijzende systeem gaat onderuit door een intern mankementje – even, maar lang genoeg om de wereld aan het lachen te maken.

Het verschrikkelijke voor winnaar en verliezer beiden, dat ze dit absurdistisch begin tot in de lengte van zijn dagen niet meer kwijt zullen raken. En – het zal weer aan mijn cultuurpessimisme liggen maar ik moet er om lachen. Om een of andere reden is deze versie van het joyeuse entrée in overeenstemming met de geest van de tijd. Ik kan het niet bewijzen; ik denk dat een oratorisch genie niet in een verkeerde telling van de stemmen ten onder was gegaan. Ik zou wel willen weten wat Shakespeare van dit drama had gemaakt; want een drama blijft het.