Iedere cultuur is een mengelmoes

De schrijver en essayist Ian Buruma vindt romantische mythomanen,

dwepers en idealisten gevaarlijk, maar hij wordt er ook door aangetrokken.

,,Als je alleen maar rationalist bent, wordt het leven wel heel erg zouteloos.''

Wat is een kosmopoliet? Ian Buruma aarzelt een moment. ,,Een kosmopoliet is niet iemand die deelneemt aan een wereldwijde massacultuur. Een kosmopoliet in iemand die zich werkelijk thuisvoelt in meer dan één cultuur. Er zijn er niet zo veel.''

Het is een woord dat veelvuldig opduikt in de boeken van de half-Nederlandse, half-Engelse schrijver. Hoe divers zijn onderwerpen ook zijn, het moderne Japan, de verwerking van schuldgevoelens in het na-oorlogse Duitsland en Japan, de liefde-haat verhouding van buitenlanders met de Engelse cultuur, het gaat steeds opnieuw over hoe mensen andere culturen benaderen en hoe ze hun eigen cultuur zien. De schrijver zelf, die naast zijn boeken essays schrijft voor onder andere The New York Review of Books, lijkt dicht in de buurt te komen van zijn definitie van kosmopolitisme: hij groeide op in Den Haag en woonde in onder andere in Duitsland, Japan, Hong-Kong, de Verenigde Staten en Engeland. Ik spreek hem in in zijn huis in Noord-Londen, een stad die hem bevalt, ,,omdat je er met rust gelaten wordt''.

U schreef essays, langere studies, reisverhalen, een roman; het maakt u niet gemakkelijk plaatsbaar als schrijver. Hoe ziet u zichzelf?

,,In boekhandels kom ik mijn eigen boeken op de gekste plekken tegen. Ik vind het interessant om te kijken in hoeverre ik journalistiek de richting van de literatuur op kan krijgen. Op het gebied van de non-fictie zijn de genregrenzen nu zo vervaagd, je kunt er zo veel kanten mee op, dat het me meer aantrekt dan fictie, ook al omdat ik daar geen uitgesproken aanleg voor heb. Al vind ik wel dat het er iets toe doet, of de schrijver iets verzint of tracht de werkelijkheid te beschrijven zoals hij die ziet, daar mag geen twijfel over bestaan. Het soort schrijvers waartoe ik me aangetrokken voel, V.S. Naipaul behoort ertoe, is het soort dat naar de werkelijkheid kijkt, niet om zichzelf te vinden of hun eigen gevoelens onder woorden te brengen, maar wel om door te denken over wat ze zien. Wat ik doe, kun je het beste beschrijven als reis-essayistiek.

,,Door mijn afkomst, mijn moeder was Engels, mijn vader Nederlands, ben ik altijd hevig geïnteresseerd geweest in hoe mensen hun nationaliteit ervaren, wat het nu precies inhoudt om in een bepaalde cultuur op te groeien, wat het betekent om Engelsman of Nederlander te zijn. Mijn ouders probeerden me niet op te laten groeien in één cultuur met één taal. Maar ik woonde in Den Haag en heb als jongen de familie van mijn moeder altijd geïdealiseerd. Dat waren welgestelde, cultuurminnende Engelse joden van Duitse afkomst, die een diepgaande belangstelling voor muziek, literatuur en theater koesterden. Als kind stonden deze mensen voor mij voor stijl, wellevendheid en het leven in de grote stad. Londen bezat een glamour die mijn leven in Den Haag ontbeerde. Daar kwam ook de aantrekkingskracht van de popcultuur in de jaren zestig bij. Engeland stond voor bevrijding. Ik had daar weliswaar zelf ook deel aan, maar keek er toch naar als een buitenstaander. Die houding had ik ook tegenover mijn Nederlandse bestaan; ik hoorde erbij en ik keek ernaar.''

Wanneer wist u dat u een schrijver was?

,,Laat. Als jongen schreef ik helemaal niets, niet eens brieven. Ik heb tot mijn achttiende in Den Haag gewoond, en na een half jaar in Londen ben ik naar Leiden gegaan om te studeren, maar aanvankelijk had ik geen idee wat. Ik heb uiteindelijk Chinees gekozen, zonder ook maar iets van Oost-Azië te weten. Ik vond Chinees eten lekker, wilde iets exotisch doen, wat ook nog eens enig praktisch nut had. Het was een impulsief besluit, maar zo gaat dat meestal bij mij. Tot het moderne China voelde ik me helemaal niet aangetrokken. In die tijd had je twee soorten studenten Chinees, overtuigde Maoïsten en gedreven wetenschappers die zich hun hele leven het liefst met confuciaanse teksten zouden bezighouden. Ik voelde me bij geen van beide thuis. In het Mickery-theater in Amsterdam zag ik in die tijd Japans theater, en ik besefte dat dat land me eigenlijk meer aantrok dan het grauwe Maoïstische China. Ik ben daar een filmopleiding gaan volgen. Ik wilde filmer worden, was in Japan een tijd fotograaf, raakte betrokken bij theatergroepen, werkte als assistent van een modefotograaf, maakte een paar documentaires voor de VPRO en ben eigenlijk pas gaan schrijven toen ik gevraagd werd filmrecensent te worden voor een Engelstalige krant in Japan. Toen volgden stukjes voor de Achterpagina van NRC Handelsblad en ik ontdekte dat je al schrijvende helemaal je eigen gang kon gaan, geen rekening hoefde te houden met groepen anderen, zoals bij film en theater, niet alleen in de organisatie maar ook in je observaties en opinies. Ik was toen al zevenentwintig.''

In uw boeken en essays beschikt u over een nuchtere blik en maakt u vaak korte metten met al te romantische noties, vooral wanneer het over `exotische' culturen als de Japanse gaat. Tegelijk lijkt u een zwak te hebben voor romantische dwepers, die zich een culturele identiteit aanmeten die weinig met de realiteit te maken heeft.

,,Natuurlijk ben ik ambivalent, anders zou ik geen schrijver zijn. Ik sta kritisch tegenover de dingen waartoe ik me aangetrokken voel. Ik schrijf meestal over de landen waar ik een haat-liefde verhouding mee heb. Landen waar het altijd leuk en aangenaam is, waar de mensen aardig zijn en het eten lekker, zijn niet interessant. Een land als Duitsland zal me altijd blijven boeien, en dat geldt ook voor Japan en China. En wat die romantiek betreft: ik ben inderdaad altijd bezig dweperige noties en sentimentele gevoelens over andere culturen te ontmaskeren en te analyseren. Tegelijk ben ik me er terdege van bewust dat ik zelf ook een romantische inslag heb. Ik ben gevoelig voor sentimentaliteit. Ik houd van romantische muziek, van barok in kunst. Ik ben een Wagner-liefhebber, dat zegt eigenlijk al genoeg. Als je alleen maar rationalist bent, wordt het leven wel heel erg zouteloos.

,,Je bent geboeid door waar je bang voor bent. Het is geen toeval dat juist zachtaardige mensen boeken schrijven vol grof geweld. Als je een slang op je weg vindt, kun je de benen nemen, maar je kunt er ook gebiologeerd door raken, er zoveel mogelijk over te weten komen, hem steeds een stukje dichter naderen. De romantische mythomaan is voor mij afschuwwekkend en verleidelijk tegelijk. Er gaat ook iets erotisch uit van al dat geposeer. Ik ben een tijdlang gefascineerd geweest door de Duitse schrijver Ernst Jünger. Dat was een bij uitstek koel observerende geest die zich op een fatale manier aangetrokken voelde tot het irrationele. Hij zocht de roes of het nu in een radicaal nationalisme was of in verdovende middelen. Rausch is het woord dat steeds weer in zijn werk opduikt. Tot zo iemand voel ik me aangetrokken en ik schrik ervoor terug.''

Ondanks uw sympathie voor zulke romantici heeft u toch weinig geduld voor mensen die geen onderscheid kunnen maken tussen verbeelding en werkelijkheid.

,,Het is gevaarlijk wanneer kunstenaars en een bepaald soort intellectuelen werkelijk macht krijgen. Als je met fantasieën, religieuze aanvliegingen of ideologische idealen de wereld wil herscheppen, ben je snel geneigd om af te rekenen met alles wat in de weg staat. Een land kan beter een aantal vaste, sterke instellingen hebben die de vrijheden van de burgers waarborgen. En die instellingen kun je het beste laten besturen door betrekkelijk middelmatige mensen die niet zoveel fantasie hebben. In hun fantasie en in de kunst moeten mensen zich helemaal zonder voorbehoud kunnen uitleven. Ik ben ook niet, zoals wel gedacht wordt, tegen godsdienst. Mensen moet hun religieuze gevoelens en verlangens kunnen uiten, het is goed dat er kerken zijn, met rituelen en priesters en al. Als mensen die vormen moeten missen, doordat ze onderdrukt worden of vernietigd, dan zoeken die gevoelens een andere uitweg. Het is riskant als de maatschappij in de ban raakt van artistieke of spirituele idealen. Die zaken moeten strikt gescheiden blijven.

,,Anti-democraten zeggen dat de democratie middelmatigheid bevordert, dat mensen in landen als Engeland en Nederland alleen nog maar kleinburgelijk denken, ze zijn met hun spaargeld bezig en hun tuintje, en alle bevlogen idealen en hoge aspiraties zijn verdwenen. De literatuur en de kunst schieten daar bij in, verzandt in onbeduidenheid, zeggen die mensen. Ik denk niet dat dat waar is. Het politieke leven is in zulke landen inderdaad vaak middelmatig, er heerst geen grote bevlogenheid, er zijn grote, dramatische ideeën of markante persoonlijkheden. Maar juist die omstandigheden scheppen een grote ruimte voor allerlei religieuze en artistieke fantasieën. Kijk maar naar Amerika, ondanks alle troep die daar gemaakt wordt, komt er ook het beste op artistiek gebied vandaan en heerst een enorme religieuze verscheidenheid, van absurd tot hoogstaand.''

Of het nu om Japan of Engeland gaat, de meeste landen waar u over schrijft worstelen met het idee van hun eigenheid en de vraag in hoeverre ze zich open moeten stellen voor het buitenland.

,,De meeste landen bezitten wel een gevoel van eigenheid, het probleem is de openheid. Daarom boeien grote steden me, havensteden, de grote metropolen, daar ben ik het liefste. Ik heb veel geschreven over gesloten samenlevingen zoals Nazi-Duitsland en ook wel Japan, waarin het collectivisme wordt geidealiseerd, maar werkelijk aangetrokken voel ik me tot het tegenovergestelde, tot plaatsen waar mensen hun eigen vrijheid vorm moeten geven. Zoals in Los Angeles, bijvoorbeeld, dat het stempel draagt van mensen die overal vandaan komen en hun stad helemaal de vorm hebben kunnen geven die zij wilden. En dan zie je natuurlijk de beperkingen van de menselijke fantasie, je ziet hoe banaal die kan zijn, hoe pathetisch, maar het blijft fascinerend. Daarom vind ik het China van nu ook veel interessanter dan het China van Mao. Er heerst weliswaar geen politieke vrijheid, maar er is wel een veel grotere sociale en economische losheid, waardoor mensen zich na al die jaren van onderdrukking plosteling op heel verschillende manieren kunnen uiten.

,,Natuurlijk is er niet zoiets als het zuiver eigene, iedere cultuur wordt altijd van buitenaf beïnvloed door andere culturen. Iedere cultuur is eenmengelmoes, ook de Engelse. Wie had kunnen voorspellen dat Franse, Italiaanse en Nederlandse voetballers hier nu de grootste volkshelden zouden zijn? Ik geloof dat mensen bereid zijn heel veel `van buitenaf' toe te laten in hun leven. Waar ze bang voor zijn, is dat ze de greep verliezen op hun eigen bestaan, politiek of economisch. De Europese Unie wordt hier vooral gezien als een gezichtsloze bureaucratie, die steeds meer over je te zeggen krijgt, zonder dat je er nog enige greep op hebt. In Engeland is het gemakkelijk daar stemming tegen te maken, omdat je door het politieke systeem het gevoel kunt hebben dat je door de vertegenwoordigers die je hebt gekozen toch een zekere invloed op de politiek hebt, ook al is dat grotendeels een illusie. Daarbij is nationalisme hier, in tegenstelling tot landen als Duitsland, geen vies woord. De kritiek in Engeland op Europa is weliswaar vaak retorisch, theatraal en chauvinistisch, maar ik geloof zelf ook dat skepsis op zijn plaats is tegenover het idee van een groot verenigd Europa. Het is een mooie gedachte, maar er is niet zoiets als een Europees volk. Je kunt geen democratie hebben zonder een demos.''

Maar biedt een verenigd Europa niet bij uitstek de mogelijkheden tot de ideale samenleving zoals u die voor ogen staat, sterke instellingen bestuurd door mensen zonder veel fantasie?

,,Maar die instellingen moeten voortkomen uit een consensus. En die is er niet. Zo'n consensus is veel gemakkelijker te bereiken wanneer mensen dezelfde taal spreken, wanneer men zijn eigen vertegenwoordigers kiest, en over een pers beschikt waarin herkenbare figuren de machthebbers bekritiseren of belachelijk maken. Je moet kunnen leven met leiders die beslissingen nemen die tegen je eigen belang ingaan. Dat kan alleen als je het systeem accepteert. En als het een systeem is dat door een stel Franse bureaucraten in de veertiger jaren is bedacht en waarin je nauwelijks weet wie er de lakens uitdeelt, dan zakt de hele boel op een gegeven moment onherroepelijk in elkaar.''

Tegenover de vaak rechtse nadruk op culturele eigenheid staat het ideaal van de statenloze wereldburger, of de mensen tussen culturen. Een schrijver als Salman Rushdie heeft in het verleden vaak de lofzang gezongen op de migrant als nieuwe mens.

,,Ik ben daar ambivalent over. Aan de ene kant heb ik wel sympathie voor Rushdies stelling dat iemand die zich in twee culturen tegelijk bevindt op een andere, boeiende manier naar de wereld kan kijken. Aan de andere kant is het ook gemakkelijk om arrogant te worden. Bevoorrechte mensen die in grote wereldstelden wonen, hoog zijn opgeleid en in een wereld van emails, grote congressen en media leven, wanen zich vaak lid van een internationale culturele aristocratie. Ze hebben de neiging te doen of hun manier van leven de norm zou moeten zijn en mensen die daar niet aan mee kunnen doen, worden afgeschilderd als een soort klootjesvolk, als mensen die hun eigen situatie niet begrijpen. Mensen die niet tot die bevoorrechte groep behoren, hebben wel degelijk behoefte om ergens deel van uit maken, zich ergens thuis te voelen. Dat gevoel is niet a priori slecht. Een nationale identiteit en de bijbehorende culturele tradities zijn voor heel veel mensen nog wel degelijk belangrijk. Naturlijk zijn die niet puur en onveranderlijk, maar je moet je ook hoeden voor minachting. Je moet niet doen alsof de multiculturele wereldburger de norm is of dat zou moeten zijn.

,,De andere kant van die arrogantie is de ijdele notie van slachtofferschap. In zekere zin zijn we allemaal bastaardmensen, er is niet zoiets als een zuivere cultuur. Maar je hebt echte ballingen, echte verschoppelingen, emigranten die uit pure armoede naar andere landen moeten trekken om daar een wankel bestaan op te bouwen. Ik heb iets tegen intellectuelen en kunstenaars die het slachtofferschap van anderen misbruiken om er zelf mee te pronken, die zichzelf als gemarginaliseerd voorstellen. Dat is vals en sentimenteel en een belediging van mensen die werkelijk te lijden hebben. Als je kijkt naar mensen die op de Amerikaanse universiteiten het beeld van de bastaard, de migrant en de exil idealiseren, zijn dat vaak mensen die uit zeer geriefelijke milieus afkomstig zijn en aan de beste buitenlandse universiteiten hebben kunnen studeren. Mensen als Rushdie, Edward Said, en in zekere zin ik zelf ook, verkeren in een uiterst bevoorrechtte positie.''

In uw essaybundel Oosterse Arcadieën noemt u de Indiase filmmaker Satyajit Ray een `Bengaalse kosmopoliet'. Vertegenwoordigt hij een ideaal voor u?

,,Ray was zeker iemand die zich thuisvoelde in meer dan een cultuur. Hij had een even grote liefde voor de Europese kunst als voor de Indiase, in het bijzonder de Bengaalse cultuur. Hij had zich beide culturen eigen gemaakt. Maar ik zie het niet zozeer als een ideaal. Wanneer kunst universeel wil zijn, moet hij geworteld zijn in iets, dat spreekt voor zich. Net zoals er geen zuiver authentieke cultuur bestaat, is er geen zuiver universele cultuur mogelijk, hij moet ergens in geplant zijn. Dat is de reden dat pogingen om van iedereen Europeanen te maken, tot mislukken gedoemd zijn. Dat ideaal moet ergens in Europese humus kunnen groeien en die ontbreekt. Kunst moet in een bepaalde taal en cultuur geworteld zijn. En als hij goed is, stijgt hij daar dan ook weer bovenuit.''

Het boek waaraan u nu werkt, gaat over het leven van Chinese dissidenten. Bent u nooit bang dat uw veelzijdigheid tot versnippering leidt?

,,Ik heb toch wel het gevoel dat ik aan een oeuvre werk. Vooral in Nederland krijg ik al snel te horen dat het persoonlijker moet. Maar je kunt heel goed persoonlijk zijn zonder direct over jezelf te schrijven. Door je belangstelling, door de manier waarop je kijkt en je de wereld en mensen tegemoet treedt. Ik volg mijn fascinaties en die laat ik op een gegeven moment ook weer achter me. Ik heb niet de aard van een specialist die zich zijn leven met één onderwerp bezighoudt, het afgrazen van één klein gebied. Ik ben ook steeds nieuwsgierig naar nieuwe dingen. Natuurlijk zie ik ook wel het gevaar. Ook ik ben opgegroeid in de schaduw van de romantiek, ook ik denk wel eens dat fictie belangrijker is dan non-fictie en dat een schrijver vooral persoonlijk moet zijn. Het is ook waar dat ik na dit boek over Chinese dissidenten ook weer graag iets intiemers wil schrijven, zoals ik in mijn boek over Anglomanie, Voltaire`s Coconuts, al heb gedaan. Ik word moe van me telkens weer in nieuwe grote onderwerpen te verdiepen. Aan de andere kant, je leert er ook zo ontzettend veel van, zo'n boek over China, ik heb zoveel nieuwe mensen ontmoet, zoveel nieuwe dingen gezien, ik heb de taal opnieuw moeten leren. Het hoeft niet altijd over jezelf te gaan. Het is een ideaal van de Europese verlichting om andere delen van de wereld te beschrijven en te begrijpen. Ik vind dat een mooi ideaal, ook al laat ik mezelf in mijn verhaal zien als iemand die reist en nadenkt. Het hoeft niet altijd over jezelf te gaan.''