Het geheim van Auguste

Er leefde aan het eind van de negentiende eeuw een beroemd toneelspeelster en haar naam was Sarah.

Sarah Bernardt heette ze, om precies te zijn. Ze woonde in Parijs en ze hield van lekker eten. Daarom at ze alleen in de beste restaurants, waar de beste koks werkten. Die koks hadden grote bewondering voor haar en zetten de lekkerste dingen voor haar op tafel. Er was een kok bij wie Sarah het allerliefste at. Hij heette Auguste Escoffier en hij was de beste kok. Niet alleen van Parijs, maar van heel Frankrijk. Misschien wel van heel Europa.

Of van de hele wereld.

Sarah at zo graag bij Auguste omdat ze vond dat niemand zulke lekkere omeletten kon bakken als hij. Ze had de allerduurste restaurants in Parijs geprobeerd, maar het leek er niet op. Toch was het een heel gewone omelet.

Zag er heel gewoon uit, niets bijzonders. Gemaakt van verse eieren, een beetje peper en zout. Dat was alles.

Sarah vroeg vaak aan Auguste waarom zijn omelet toch zoveel lekkerder smaakte dan alle andere omeletten die ze tegenkwam. Dan glimlachte hij fijntjes vanonder zijn mooie snor vandaan en zei dat hij het ook niet wist.

Maar natuurlijk wist hij het wel. Er zat inderdaad niets in de omelet dat ook niet in een gewone omelet zat. Het geheim zat in de vork van Auguste.

De vork waarmee hij het wit en het geel van de eieren door elkaar klopte.

Voordat hij daarmee begon prikte hij op de punten van die vork een teentje knoflook. Dan pas begon hij aan de eieren. Dat gaf nu precies die bijzondere smaak. Simpeler kan het niet. De volgende keer wanneer je een omelet bakt (gewoon twee of drie eieren door elkaar kloppen en bakken in de boter), moet je het eens proberen. Het enige is dat je dan nog wel iemand moet vinden die Sarah heet. Om hem op te eten.