Een licht vaatje leven

Ach, kon je maar een personage uit het werk van Ronald Giphart zijn, desnoods maar voor een week. Dan was je jong en mooi en ook nog slim en rijk, jeunesse dorée, dan had je alles mee, je zou een winnaar zijn van de geschiedenis. Klinkklaar geluk.

Het is alleen geluk met een naargeestig randje eromheen. Want Gipharts helden weten dat ze uitverkoren zijn en vinden dat vrij vanzelfsprekend, sterker nog, ze vinden het terecht. Ze staan als goden boven het gewriemel van ons stervelingen. Ze verachten ons om onze alledaagsheid, onze lelijkheid en onze zorgen, en gebruiken hun geluk zodoende om zich af te sluiten voor het ongeluk van onze werkelijkheid.

De hoogste graad van hun geluk ligt dan ook, elk boek weer, op grote afstand van ons dagelijkse leven. Op een strand. In een zonovergoten oord, het soort waar jongens voor de camera's van SBS6 spontaan de slinger uit de broek halen en meisjes schaterend een tepel in een kom sangria dopen. Daar ligt de wereld die voor Giphart-personages de Echte is, de wereld als één groot geil gezellig feest.

De onbeschaamde wezenloosheid van die wereld stelt de nogal anders ingestelde wereld van de literatuur nu al drie romans, een novelle en een bundel lang voor een probleem. Want gaat dit werk wel ergens over? Giphart houdt zich verre van ziekte, dood, morele vragen, maatschappijkritiek en wat niet al. Hij plaatst zich met zijn genotzalige geluk boven zo'n beetje alles waar de literatuur de laatste vijfentwintighonderd jaar mee bezig is geweest. Dus is dit eigenlijk nog wel literatuur?

Kennelijk getergd door die steeds weer herhaalde vraag neemt Giphart in zijn nieuwste roman, Ik omhels je met duizend armen, de handschoen op. `Natuurlijk, zodra iemand de woorden `schrijver' en `gelukkig' met elkaar in verband brengt, begint het randvolk om het hardst te roepen dat schrijvers niet gelukkig kunnen zijn. Geluk is geen goede compost voor een vruchtbaar schrijverschap, hoewel je als schrijver de zoektocht naar geluk (in navolging van Socrates) altijd het hoofdthema van je werk dient te maken.'

Nog gelukkiger

De woorden worden neergeschreven door de held annex verteller van het boek, Giph, die eerder ook al optrad als de titelheld in Giph en, tussendoor, als broer van de titelheldin in Phileine zegt sorry. Hij schrijft ze neer met een zekere spijt, want ja, hij kent de oude broederschap van literatuur en ongeluk en zou daar als totaal verliteratuurde jongen best in opgenomen willen worden. Maar kan hij er wat aan doen dat hij inmiddels nog gelukkiger is dan voorheen? Hij heeft een prachtige vriendin die ook nog eens heel `inspirerend' is, heeft bovendien zijn eerste boek gepubliceerd, met succes zelfs, en zo zijn de doelen die hij zich ooit stelde `allemaal bereikt'. Niets meer te wensen.

Of toch. Een zonvakantie. Middenin een winter vliegt hij naar het nec plus ultra van de wezenloze lustoorden, La Palma, samen met zijn droomvriendin en zes anderen die ook al toonbeelden van voorspoed zijn. De ene is actrice, een ander fotomodel, een derde stand-up comedian, een vierde filmproducent. Ze werken met z'n allen al een tijdje aan een televisiefilm, naar een scenario van Giph, en knijpen er nu even tussenuit voor wat broodnodig geil gezellig divertissement.

Het vervolg laat zich raden. Er wordt veel geflirt, gezoend, gesekst. Er wordt nog meer geleuterd en gelachen, want de een is nog beter gebekt dan de ander, en er wordt met uitbundige verachting neergekeken op de andere vakantiegangers, met hun vetrollen en hun gênante zonnebrillen van tig modes geleden. Zulke mensen kunnen domweg niet en mogen dus best in het openbaar beledigd worden, overschreeuwd en in een restaurant over hun bord gekotst. Dan moeten ze maar niet zo weerzinwekkend zijn.

Dat alles wordt verteld op Gipharts welbekende toon, lichtvoetig, springerig, vol woordvondsten en flauwe grappen waar je eigenlijk niet om zou willen lachen, maar waar je toch weer voor valt. De timing hapert zelden. Elke zin heeft ritme, alles heeft de schwung van dat vitale, aanstootgevende geluk van zijn figuren, en je kunt er al met al niet onderuit dat dit toch op de een of andere manier literatuur is.

Het is alleen literatuur van een wat ongebruikelijke soort. Het draait hier niet om het verwoorden van ervaringen, naar een onderscheid dat essayist Bas Heijne wel eens maakt, maar van sensaties, dat wil zeggen van kortstondige en vluchtige kicks, die je wel even optillen maar waar je niets aan overhoudt. Ze bieden je geen inzicht in het leven, geen besef van wat dan ook – en toch zijn ze, juist door hun leegte, als escape, zo wezenlijk voor ons bestaan dat ze de moeite waard zijn om in literatuur te vatten.

Je kunt je alleen wel afvragen of dat niet een wat beperkt soort literatuur is, zoals die vlucht in de sensaties ook een wat beperkt soort levenshouding is. Zolang je jong bent kom je er mee weg, maar wat wanneer je ouder wordt en toch een keer een plaats moet gaan veroveren in de verfoeide dagelijkse werkelijkheid?

Dat probleem is Giphart niet ontgaan, het speelt in zijn romans steeds sterker op, in weerwil van zijn reputatie dat zijn werk alleen maar meer van hetzelfde biedt. Zijn helden voelen aankomen dat hun vakantieleven eindig is, dat het geen toekomst heeft, en de Phileine die in zijn vorige roman sorry zegt mag dat zelfs aan den lijve ondervinden. Aan het slot van een verhaal vol zang en dans en seks waarin zij lijkt te gloriëren, eindigt ze toch als een warrig wrakje, want ze mist intussen een reële greep op haar bestaan. Haar leven leidt tot niets – precies als de sensaties die ze najaagt.

In die lijn zet Ik omhels je met duizend armen voor het eerst de onvermijdelijke grote stap: het boek zoekt het vervaarlijke domein van de ervaring op. Verteller Giph lardeert zijn avonturen in La Palma met flash backs uit het ziekenhuis waar hij als nachtwaker heeft gewerkt. Verhalen vol verschrikkingen, die hem doordringen van de werkelijkheid onder zijn geluk. `In de harde werkelijkheid wordt men later namelijk helemaal niet gelukkig, maar oud, aftands, dement, arm, impotent en verramsjt'.

Omweg

Vervolgens blijkt dat hij die werkelijkheid ook al eens dichterbij heeft mogen meemaken – thuis, bij zijn moeder, die onlangs is overleden aan een spierziekte die haar langzaam sloopte, kennelijk iets als MS. Ze raakte afhankelijk van rolstoel en gezinshulp, een totale medicalisering volgde, en hij laat die in zijn flash backs zien tot op het verlossende moment dat ze met hulp van huisarts en `moricamenten' insliep.

De beide lijnen van het boek, het leven in La Palma en de dood thuis, komen samen aan het slot, als blijkt dat Giphs vakantievrienden van het overlijden van zijn moeder schaamteloos misbruik maken door – enfin, lees zelf. Achter zijn rug om, terwijl ze samen aan het feesten zijn, en als dat tot hem doordringt valt het muntje. Er is iets hartgrondig mis met hun verrukkelijke, onbekommerde geluk.

Dat is een drieste laatste wending, driest vooral door de morele implicaties. Giph kijkt plotseling door de verrukkingen van zijn vakantie heen en ziet dat in dat vriendenclubje waar geen zorgen zijn, ook geen verantwoordelijkheden, normen en waarden meer bestaan. De hemel blijkt een amorele hel, het leven van de vluchtige sensaties een doodlopende weg, en de conclusie moet dus zijn dat Giph, met achter zijn rug de schrijver, zich bekeert tot het domein van de harde werkelijkheid en de reële ervaring.

Dat klinkt als een ware kentering, een keerpunt in roman en schrijverschap. Maar het merkwaardige van Ik omhels je met duizend armen is dat het zo helemaal niet leest. Al is het overlijden van de moeder nog zo werkelijk, van een ervaring daarvan merk je weinig. Moeder lacht tot op haar sterfbed, van haar laatste dagen maakt ze zelfs een feest met hapjes en drankjes, en ze hoopt dat haar crematie `een spetterende eenmalige theatervoorstelling' zal worden. Waarna Giph voldaan kan vaststellen dat ze de kracht had `op een weloverwogen, ja zelfs mooie manier te sterven'.

Mooi sterven. Wat je uit de scènes rond de moeder meekrijgt is niet zozeer dat iemand sterft, maar dat het aangenaam gebeurt, niet akelig of schokkend maar heel geruststellend. Eigenlijk alsof het niet gebeurt, met andere woorden, en zo ben je met een omweg terug bij net dat punt waar de roman zo graag vandaan wilde, terug bij het niets-aan-de-hand-zolang-ermaar-muziek-bij-zit van dat verwende vriendenclubje.

Giph en zijn schepper Giphart willen wel, echte ervaringen uit de echte werkelijkheid. Maar blijkbaar toch alleen als je ze niet echt hoeft te voelen. Niet daar waar het pijn doet in elk geval, en dat geeft de ervaringen die ze verwoorden op den duur iets hinderlijk gratuits en wezenloos. Het zijn ervaringen-light, zo'n beetje als bij sigaretten-light: je hoeft niet meer zo bang te zijn dat ze je schaden, maar ze smaken ook meteen naar niets.

Ronald Giphart:

Ik omhels je met duizend armen. Podium, 320 blz. ƒ34,90