Een kortstondige flikkering

Met mode van Viktor & Rolf en modefoto's van Van Lamsweerde en Matadin probeert het Groninger Museum tevergeefs de grens tussen kunst en toegepaste kunst te overschrijden.

In de verduisterde ruimte fonkelen onder de spotlampen kleurige Swarovski-kristallen op kledingstukken van grove jute, en iets verderop is zaal na zaal gevuld met grote glossy modefoto's. Het Groninger Museum toont met twee parallelle exposities een overzicht van modefotografen Inez van Lamsweerde (1963) en Vinoodh Matadin (1961) en een selectie uit de haute couture collecties 1998-2000 van modeontwerpers Viktor Horsting (1969) en Rolf Snoeren (1969), bekend als Viktor & Rolf.

De ster van de vier jonge Nederlanders is in de afgelopen jaren internationaal snel gerezen. Van Lamsweerde en Matadin, die sinds 1992 in New York wonen het eerste jaar als artists-in-residence van het PS1 Museum trokken in 1994 de aandacht van de modewereld met tien fotopagina's in het Engelse tijdschrift The Face. Hun werk onderscheidt zich door een geperfectioneerde computertechniek, waarbij zij bijvoorbeeld fotomodellen en achtergrond los van elkaar fotograferen en deze vervolgens tot één beeld samenvoegen, met alle vervreemdende effecten van dien. Van Lamsweerde en Matadin maakten in de afgelopen jaren fotocampagnes voor modehuizen als Louis Vuitton, Balenciaga, Yohji Yamamoto en Vidal Sassoon. Zij publiceren regelmatig in bladen als Harper's Bazaar en Vogue Italia.

Viktor & Rolf, die samen aan de Hogeschool voor de Kunsten in Arnhem studeerden, presenteerden hun debuutcollectie in Parijs in januari 1998. Zij wisten de modewereld te veroveren met wat wordt gezien als `moeilijke' en tegendraadse creaties. Ook hun shows gaan tegen de Parijse conventies in; Viktor en Rolf vatten hun presentaties eerder op als een performance met een thema, dan als een coutureshow. Zo toonden zij een Baboeschka-collectie waarbij zij op het toneel één mannequin laag na laag aankleedden, van een onderjurkje van jute tot en met een reusachtige mantel, met daartussen allerlei met kristal versierde ontwerpen over elkaar. De mannequin had zodoende uiteindelijk de totale collectie aan, tien lagen met een gewicht van 70 kilo.

Het Groninger Museum volgt beide duo's al enige tijd op de voet. Gedurende vijf jaar werden van van Lamsweerde en Matadin jaarlijks tien modefoto's aangekocht, en Viktor & Rolf ontvangen ieder jaar van het museum een stipendium in ruil voor werk. Dit is onderdeel van het beleid dat door de vorige directeur, Frans Haks, is ingezet en waarin geen wezenlijk onderscheid wordt gemaakt tussen toegepaste kunst en beeldende kunst. Dit beleid wordt onder Kees van Twist, de huidige directeur, gecontinueerd. Zoals in de persberichten staat vermeld: `Het Groninger Museum begeeft zich op de grenzen van kunst en samenleving en toont nonconformistische kunst en trends'.

Haks heeft de tijdgeest goed aangevoeld. Designers hebben meer status dan ooit. Zij bepalen de trends die het dagelijks leven steeds meer lijken te beïnvloeden, zij zijn de mediadeskundigen en informatievormgevers, en zij richten zich meer en meer op de beeldende kunst. Andersom gedragen jonge kunstenaars zich als ontwerpers die `ingrepen' doen in de openbare ruimte die niet meer als zelfstandig kunstwerk te herkennen zijn, of ze zoeken naar aansluiting bij het bedrijfsleven en naar samenwerking buiten de kunst.

Er is, volgens velen, een visuele cultuur aan het ontstaan waarin producten van kunst, design, architectuur, mode, reclame, film en televisie zo nauw met elkaar verweven zijn dat de beeldende kunst een tak van ontwerpen is geworden.

Niet alleen het Groninger Museum draagt deze opvatting uit, ook het Centraal Museum in Utrecht verzamelt en presenteert gebruiksvoorwerpen en kunstwerken op zo'n manier dat het onderscheid vrijwel onzichtbaar wordt.

Van alle disciplines zijn het vooral de modefotografen die zo veel zelfvertrouwen hebben dat ze het conflict tussen creativiteit en commercie eenvoudigweg overboord zetten. De kleding doet er niet meer toe, zelfs het fotomodel doet er niet toe, het is het visioen van de fotograaf die het publiek moet verleiden denk bijvoorbeeld aan de modereportages in het treintijdschrift Rails.

Toch is modefotografie geen kunst, evenmin als mode of welke vorm van toegepaste kunst dan ook. Het onderscheid is simpel: een kunstwerk is, in tegenstelling tot toegepaste kunst, nutteloos. Een kunstwerk is geen gebruiksvoorwerp, geen gereedschap. De oorsprong van het kunstwerk is niet technisch of rationeel van aard. Een kunstwerk beschermt niet, bedekt niet, biedt geen comfort. Een reclamefoto belooft een beter leven, een modefoto belooft mij dat ik deel zal hebben aan de schoonheid en de jeugd die ik daar zie wanneer ik dat kledingstuk weet te bemachtigen. Maar een kunstwerk belooft niets. Het hoeft zelfs niet te verleiden. Integendeel, de beschouwer moet juist hard werk verrichten om het kunstwerk echt te kunnen zien.

We herkennen een gebruiksvoorwerp aan het operationele karakter ervan: we weten dat we er een specifieke handeling mee uit kunnen voeren, op een voorgeschreven manier. Kunstwerken hebben geen gebruiksaanwijzing en ze schrijven geen handeling voor. De waarde van het kunstwerk berust op de wisselwerking tussen een materieel object en talrijke betekenissen die daaraan gehecht zijn en zich er nog aan kunnen hechten. Beide, materie en betekenis, zijn noodzakelijk; want in de kunst is materie zonder betekenis waardeloos, en andersom is betekenis zonder materie triviaal. Kunstwerken geven ons, als een poort, toegang tot de ruimte van de schilder of de tijd van de dichter. Als het een goed kunstwerk is, is deze ruimte groot. We kunnen er steeds terugkeren, en we ontdekken er steeds nieuwe dingen. Maar, zoals George Kubler het zo prachtig zegt in zijn boek The shape of time, Remarks on the history of things (1962), de bezoeker moet voorbereid zijn: als hij een lege geest meebrengt, of een ontoereikende sensibiliteit, dan ziet of beleeft hij niets.

De meest voor de hand liggende strategie om aan toegepaste kunst de status van kunst te verlenen is dus om nutteloosheid te suggereren, en om de visuele uitwerking ervan complex, `moeilijk' te maken. Dit is ook precies wat er gebeurt. Talrijk zijn de brochures van grafische ontwerpers met onleesbare teksten, de modereportages waarop hooguit een manchet of een broekspijp te zien is, of vrijwel ondraagbare kleding zoals de haute couture van Viktor & Rolf. Vrijwel, of ogenschijnlijk ondraagbaar: hun collectie voor de millenniumwisseling rond het thema kernexplosie, met jasjes en avondjurken die reusachtige paddestoelachtige opbollingen hebben op de schouders en rond het hoofd, is nadat de ballonnen en kussens verwijderd zijn heel goed draagbaar en zelfs vrij conventioneel.

Nutteloos was ook het parfum dat Viktor & Rolf op de markt brachten, een editie van 150 verzegelde flesjes die niets anders dan gewone lucht bevatten (en die onmiddellijk waren uitverkocht). Al in 1919 creëerde Marcel Duchamp een ready made bestaande uit een apothekersampul van glas gevuld met Air de Paris. Ook vislucht is al eens ingeblikt, evenals poep (door Piero Manzoni). Het succes van Viktor & Rolf is dan ook afhankelijk van de context waarin zij hun werk presenteren, die van de modewereld. Want in de context van de beeldende kunst, zoals het Groninger Museum hun werk presenteert, is er weinig moeilijks of tegendraads aan te beleven. Talloze betere voorbeelden schieten de beschouwer te binnen, van de stoffen en gewaden ontworpen door Matisse, tot optredens van kunstenaars waarin kleding een belangrijke rol speelt, zoals bij Gilbert & George of James Lee Byars om er maar enkelen te noemen. Dat Viktor & Rolf menen dat kleding niet alleen een visuele impact moet hebben maar dat het ook andere zintuigen moet aanspreken, en dat ze daarom rinkelende belletjes aan kostuums en avondjurken bevestigen, is nauwelijks opzienbarend.

Inez van Lamsweerde is zich van de voetangels en klemmen van de vermenging van toegepaste en zelfstandige kunst heel goed bewust, zoals blijkt uit een interview uit 1999. Zij maakt een onderscheid tussen haar modefotografie en haar `galerie-werk' zoals zij het noemt: `Modefotografie wordt voor 100 procent bepaald door de context, en is voor mij een projectie van stemmingen, dromen, ideeën en aspiraties uitgedrukt door de taal van kleding. Het galerie-werk is meer emotioneel, persoonlijk. Compromisloos en veel extremer in het uitkleden van een idee totdat alleen de essentie ervan als beeld is overgebleven. Beide soorten fotografie gaan over de tijd waarin we leven [...]'.

Het probleem is dat ik het verschil zoals Van Lamsweerde het formuleert niet aan de foto's af kan zien. De `zelfstandige' foto van het meisje met het zwartgemaakte gezicht en de rode wangen en de rode lippen in de witte jurk met grote rode bloem, die de `spirituele kant van de schoonheid' moet uitdrukken, kan evengoed een reclame voor make up of een modeontwerp zijn. Al haar foto's gaan over schoonheid, zegt van Lamsweerde, en dat zie ik wél. Het is ook heel mooi, dat zachte, sensuele van de huid die zo nabij lijkt, het verleidelijke van de dunne jurk van kant waardoorheen een rode tepel zichtbaar is en een zwart bosje schaamhaar. Maar zodra ik mij omdraai ben ik het weer vergeten.

Het werk van van Lamsweerde en Matadin gaat inderdaad over de tijd waarin wij leven, waarin alles vluchtig is en niets beklijft. Als de mode zelf. Van alle cultuurverschijnselen is mode in kleding de meest kortstondige, niet meer dan een flikkering, vergeten wanneer het seizoen voorbij is. Een mode is een enkelvoudig beeld van een uiterlijke manier van zijn, een beeld dat tijdens zijn korte leven geen verandering toelaat een roklengte kan bijvoorbeeld niet ongestraft veranderd worden. Dit beeld is ontvankelijk voor kopiëring op grote schaal, reden waarom mode zo'n enorme invloed heeft op het straatbeeld en het leven zoals we dat om ons heen zien, en vice versa iets waar kunstenaars, die doorgaans grote problemen hebben met hun maatschappelijke status, vaak jaloers op zijn. Maar mode, of een modefoto, kan mij niet bieden wat de kunst mij biedt. Een modefoto verleidt, maar heeft uiteindelijk niets te geven.

Viktor & Rolf en Inez van Lamsweerde & Vinoodh Matadin: twee tentoonstellingen in het Groninger Museum. T/m 25 maart 2001. Museumeiland 1, Groningen. Di zo 10-17 uur.