Echte en gedroomde landschappen in Teylers

Het denkbeeld van het bedrijfsleven dat niet alleen aan cultuursponsoring doet maar ook bepaalt wat er te zien moet zijn in een tentoonstelling, is op het eerste gezicht niet bijzonder vertrouwenwekkend. Commerciële belangen zouden artistieke vrijheid en wetenschappelijke objectiviteit wel eens in de weg kunnen staan, en op de loer liggende reclame voor het eigen product leidt maar af van waar het in musea werkelijk om gaat.

De aanleiding voor de tentoonstelling Reizen door stad en land die is te zien in het Haarlemse Teylers Museum, is het 25-jarig jubileum van het internationaal opererende BCD Holdings. De nieuwsgierigheid die de expositie alleen al daarom wekt, wordt nog groter als blijkt dat de geëxposeerde werken afkomstig zijn uit de collectie van iemand die zich in het voorwoord van de catalogus wat raadselachtig ontpopt als voorman van `ons bedrijf'. Gaat het om een directeur die ter gelegenheid van het bedrijfsjubileum een persoonlijke liefhebberij botviert? Maar waarom zou een befaamd museum als Teylers zich dan voor dat karretje laten spannen?

Een bezoek aan de tentoonstelling maakt al snel een eind aan alle argwaan. Verwijzingen naar het jubilerende bedrijf zijn zo goed als afwezig, en de selectie uit de `verzameling van de directeur' – de collectie van het echtpaar J.A. Fentener van Vlissingen – maakt duidelijk dat daarbij alleen kwalitatieve criteria een rol hebben gespeeld. Bijeengebracht zijn op de kop af honderd tekeningen van landschappen en stadsgezichten door meesters uit de Nederlanden, uit de 16de tot de vroege 19de eeuw.

Het tekenen van landschappen naar de werkelijkheid gold in de 16de eeuw als een Vlaamse specialiteit. Aanvankelijk speelden bijbelse of andere taferelen nog een hoofdrol, maar geleidelijk trad het landschap meer op de voorgrond. Een blad van de hand van Lodewijk Toeput (1550-1604/5) is daar een mooi voorbeeld van, en tegelijk van de reputatie op dit gebied die kunstenaars uit de Nederlanden ook in Italië genoten. Toeput, die in Italië in een letterlijke vertaling van zijn achternaam `Pozzoserrato' (gesloten put) werd genoemd, tekende daar een winterlandschap dat in de buurt van Venetië of Treviso moet worden gesitueerd. De kale bomen en de heldere atmosfeer van het riviergezicht met een stad aan de horizon, bezorgen je bijna de rillingen die horen bij de vochtige kou van een winterdag in Noord-Italië.

Verre reizen zoals die van Toeput, maar ook van Jan Hackaert die kort na het midden van de 17de eeuw een aantal opvallende Alpengezichten tekende, of van Noord-Nederlandse Italianisanten als Jan Asselijn en Thomas Wijck, leverden prachtige gezichten op exotische landschappen en vreemde steden op. Maar ook dichter bij huis lagen de thema's voor het oprapen. Zo tekende Rembrandt op zijn kenmerkende, schijnbaar terloopse manier de molen en het bolwerk bij de Sint-Anthonispoort, vlakbij zijn huis aan de Jodenbreestraat in Amsterdam. Pas bij nadere beschouwing blijkt dat de kunstenaar meer aandacht aan de tekening heeft besteed dan de vlotte pennenstreken doen vermoeden. Met een scherp voorwerp heeft hij het blad hier en daar bewerkt zodat het wit van het papier door de inkttint heen komt en subtiele lichteffecten suggereert.

Toch is deze tekening vrijwel zeker niet gemaakt om verkocht te worden aan verzamelaars. Uit de inventaris van Rembrandts boedel blijkt dat hij zulke bladen zelf in boeken bewaarde. Anders ligt dat bij een aantal uitgewerkte en soms gekleurde tekeningen elders in de tentoonstelling. Een mooi voorbeeld daarvan is de voorstelling die Isaac de Moucheron (1667-1744) maakte van een gedroomd Italiaans landschap met een antiek grafmonument en, minuscuul op de voorgrond, een rustende familie. Een blad als dit maakt ook duidelijk dat lang niet alle tekeningen in deze expositie daadwerkelijk zijn gemaakt naar bestaande, herkenbare plaatsen die kunstenaars op hun `reizen door stad en land' aandeden. Veel van wat er te zien is, kwam in het atelier tot stand en berust op de fantasie van de kunstenaar. Andersom zijn er ook werken waarin de topografische herkenbaarheid volledig ondergeschikt lijkt aan de artistieke uitvoering. Zo voorzag Aert Schouman (1710-1792) een riviergezicht van het opschrift `by Eeterum'. Maar bij het zien van de verbluffend knappe aquarel maalt niemand om de herkenbaarheid van Eiteren aan de Hollandse IJssel.

Het thema van de expositie is dan ook niet zozeer educatief van aard of wetenschappelijk verantwoord, maar veeleer een losse noemer waaronder een grote variatie aan vooral 17de-eeuwse landschaps- en topografische tekeningen is samengebracht. Het resultaat is in de eerste plaats een lust voor het oog, die er voor de liefhebber alleen maar groter op wordt als blijkt dat driekwart van de bladen nog maar kort geleden zijn verworven en nu voor het eerst in hun bestaan aan het grote publiek worden getoond.

Tentoonstelling: Reizen door stad en land; Noord- en Zuid-Nederlandse landschapstekeningen 1550-1830. Teylers Museum (Spaarne 16, Haarlem). T/m 3/12. Catalogus: Hans Verbeek, Travels Trough Town and Country, 220 blz., ƒ 67,50.